BWBR0036166
Geldig vanaf 2015-05-01
Artikel VI
Wijzigingswet Spoorwegwet, enz. (tweede tranche uitvoeringsmaatregelen kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», enz.)
1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten op grond van artikelen 19 tot en met 21 van de Spoorwegwetzoals die luidden tot de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen K tot en met N, van deze wet worden afgehandeld overeenkomstig het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel II, van deze wet aanhangige bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten op grond van de Spoorwegwet 1875, de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd(Stb. 118), de Wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk(Stb. 703), Wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen(Stb. 498), het Tramwegreglement, het Besluit van 5 februari 1925, tot vaststelling van een reglement ter voorkoming van aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen(Stb. 29), het Metroreglement, het Reglement op de Raccordementen 1966, dan wel het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegenworden afgehandeld overeenkomstig het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel II, van deze wet.
2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel II, van deze wet aanhangige bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten op grond van de Spoorwegwet 1875, de wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd(Stb. 118), de Wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk(Stb. 703), Wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen(Stb. 498), het Tramwegreglement, het Besluit van 5 februari 1925, tot vaststelling van een reglement ter voorkoming van aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen(Stb. 29), het Metroreglement, het Reglement op de Raccordementen 1966, dan wel het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegenworden afgehandeld overeenkomstig het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel II, van deze wet.