BWBR0035291
Geldig vanaf 2014-07-05
Artikel 9
Regeling ter stimulering van activiteiten die een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek
1. De minister kan subsidie verlenen voor de financiering van projecten.
2. De subsidiabele periode voor een project bedraagt maximaal twee jaar.
3. De beschikking tot het verlenen van subsidie betreft de subsidiabele activiteiten, zoals vastgelegd in het projectplan, bedoeld in artikel 8, vierde lid.
4. De beschikking bevat het maximum bedrag van de subsidie. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zoals door de aanvrager geraamd in zijn aanvraag tot subsidie, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, activiteiten en kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht worden voor de uitvoering van het projectplan, dan wel uit andere hoofde worden vergoed.
5. De cofinanciering is:
a. 10% bij projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b;
b. 25% bij projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen c, d, e en f.
6. In de beschikking tot verlening van subsidie wordt voorts bepaald:
a. de prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;
b. de periode waarbinnen de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd.
c. over welke prestaties wordt verantwoord ten behoeve van de subsidievaststelling;
d. in welke periode deze prestaties worden behaald;
e. de wijze van voorschotverlening.
7. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.
8. De minister beslist binnen acht weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.
2. De subsidiabele periode voor een project bedraagt maximaal twee jaar.
3. De beschikking tot het verlenen van subsidie betreft de subsidiabele activiteiten, zoals vastgelegd in het projectplan, bedoeld in artikel 8, vierde lid.
4. De beschikking bevat het maximum bedrag van de subsidie. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zoals door de aanvrager geraamd in zijn aanvraag tot subsidie, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, activiteiten en kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht worden voor de uitvoering van het projectplan, dan wel uit andere hoofde worden vergoed.
5. De cofinanciering is:
a. 10% bij projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b;
b. 25% bij projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen c, d, e en f.
6. In de beschikking tot verlening van subsidie wordt voorts bepaald:
a. de prestaties waarvoor subsidie wordt verleend;
b. de periode waarbinnen de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd.
c. over welke prestaties wordt verantwoord ten behoeve van de subsidievaststelling;
d. in welke periode deze prestaties worden behaald;
e. de wijze van voorschotverlening.
7. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.
8. De minister beslist binnen acht weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.