BWBR0034079
Geldig vanaf 2013-10-29
Artikel 6.1
Beleidsregel binnenvaart 2013
Voor certificaten die zijn afgegeven op grond van het ADNgelden de procedure en de termijnen zoals opgenomen in hoofdstuk 1.16 van het ADN.
Eerste certificering certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)
Bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de certificaten op grond van de artikelen 3.11 van de Binnenvaartregeling, 2.06 van het RosR 1995, en 2.06 van Bijlage II bij de richtlijn 2006/87/EGhanteert de certificerende instantie voor nieuwbouwschepen het wettelijk maximum, waarbij de datum van de proefvaart geldt als peildatum.
Verlenging van certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)
Bij verlenging of vernieuwing van het certificaat wordt de geldigheidsduur volgens de onderstaande tabel bepaald.
voetnoten bij de tabel
1) Zowel zeilende als werktuigelijk voortgedreven passagiersschepen.
2) Indien een tankschip gebruik maakt van de mogelijkheid om krachtens artikel 1.16.11 van het ADN de geldigheidsduur met één jaar te laten verlengen, kan ook het CVO/CBB met één jaar worden verlengd. Zo’n verlenging kan slechts eenmaal in twee geldigheidsperioden worden toegekend.
Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat. De geldigheidsduur van het nieuwe certificaat wordt dan gerekend vanaf de vervaldatum van het vorige certificaat.
Een droogstaand onderzoek dat maximaal twee jaar voorafgaand aan de vervaldatum heeft plaatsgevonden kan worden geaccepteerd. In dat geval wordt de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat gerekend vanaf de datum van de droogzetting.
De nieuwe ingangsdatum van het certificaat ligt altijd eerder dan of direct aansluitend aan de afloopdatum van het laatste geldige certificaat.
De certificerende instantie kan op basis van het onderzoek besluiten een kortere geldigheidsduur toe te passen dan hierboven aangegeven.
Toepassing overgangsbepalingen
Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgens Hoofdstuk 24en 24 a van het ROSR 1995 en bijlage II van de Richtlijn 2006/87/EG, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat.
Gedurende een overgangsperiode tot 1 februari 2020 kan nog aanspraak op overgangsbepalingen worden gemaakt indien het schip beschikt over een certificaat dat op het moment van de aanvraag voor hercertificering niet langer dan één certificaatsperiode is verlopen. De geldigheidsduur van het certificaat wordt daarbij bepaald als bij verlenging, ingaand vanaf de droogzetting.
Eerste certificering certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)
Bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de certificaten op grond van de artikelen 3.11 van de Binnenvaartregeling, 2.06 van het RosR 1995, en 2.06 van Bijlage II bij de richtlijn 2006/87/EGhanteert de certificerende instantie voor nieuwbouwschepen het wettelijk maximum, waarbij de datum van de proefvaart geldt als peildatum.
Verlenging van certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb)
Bij verlenging of vernieuwing van het certificaat wordt de geldigheidsduur volgens de onderstaande tabel bepaald.
voetnoten bij de tabel
1) Zowel zeilende als werktuigelijk voortgedreven passagiersschepen.
2) Indien een tankschip gebruik maakt van de mogelijkheid om krachtens artikel 1.16.11 van het ADN de geldigheidsduur met één jaar te laten verlengen, kan ook het CVO/CBB met één jaar worden verlengd. Zo’n verlenging kan slechts eenmaal in twee geldigheidsperioden worden toegekend.
Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat. De geldigheidsduur van het nieuwe certificaat wordt dan gerekend vanaf de vervaldatum van het vorige certificaat.
Een droogstaand onderzoek dat maximaal twee jaar voorafgaand aan de vervaldatum heeft plaatsgevonden kan worden geaccepteerd. In dat geval wordt de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat gerekend vanaf de datum van de droogzetting.
De nieuwe ingangsdatum van het certificaat ligt altijd eerder dan of direct aansluitend aan de afloopdatum van het laatste geldige certificaat.
De certificerende instantie kan op basis van het onderzoek besluiten een kortere geldigheidsduur toe te passen dan hierboven aangegeven.
Toepassing overgangsbepalingen
Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgens Hoofdstuk 24en 24 a van het ROSR 1995 en bijlage II van de Richtlijn 2006/87/EG, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat.
Gedurende een overgangsperiode tot 1 februari 2020 kan nog aanspraak op overgangsbepalingen worden gemaakt indien het schip beschikt over een certificaat dat op het moment van de aanvraag voor hercertificering niet langer dan één certificaatsperiode is verlopen. De geldigheidsduur van het certificaat wordt daarbij bepaald als bij verlenging, ingaand vanaf de droogzetting.