BWBR0033518
Geldig vanaf 2013-06-17
Artikel 6
Regeling recreatieve luchtvaart op militaire luchthavens
1. Het motorsportvliegen wordt uitsluitend beoefend op de gedeelten van de luchthaven die daarvoor zijn aangewezen door de commandant van de militaire luchthaven.
2. Er wordt voortdurend op gelet dat het landingsterrein niet wordt beschadigd. Bij beschadiging wordt het motorsportvliegen op het betrokken deel van het terrein beëindigd. Indien een bij het motorsportvliegen betrokkene schade constateert, licht hij onmiddellijk de motorsportvliegcoördinator dan wel de hoofdvliegcoördinator in.
3. De minimumafmetingen van een graslandingsbaan ten behoeve van het motorsportvliegen zijn:
a. lengte 600 meter;
b. breedte 30 meter.
4. Indien het motorsportvliegen plaatsvindt vanaf een ander terreingedeelte dan vanaf de normale start- en landingsbanen, is de in gebruik zijnde graslandingsbaan als zodanig herkenbaar afgebakend en – zo de terreinomstandigheden dit toelaten – in de windrichting uitgezet.
5. De afstand tussen de in het derde lid bedoelde graslandingsbaan en een evenwijdig daaraan gelegen zweefvliegbaan bedraagt ten minste 150 m.
6. Bij het motorsportvliegen vanaf een militaire luchthaven gelden de volgende weerlimieten:
[tabel]
7. In afwijking van het zesde lid is het beoefenen van het motorsportvliegen toegestaan bij een vlieg- en grondzichtwaarde tussen 3 en 5 kilometer onder de volgende aanvullende bepalingen:
a. uitsluitend circuitverkeer is toegestaan;
b. in het circuit bevinden zich maximaal 2 vliegtuigen.
8. De motorsportvliegcoördinator kan houders van een geldig vliegbewijs incidenteel toestaan te vliegen bij een hogere windsnelheid dan 25 knopen ten aanzien van door hem te bepalen vluchten.
9. Het motorsportvliegen is slechts toegestaan, indien:
a. brandblusmiddelen, bevattende ten minste de hoeveelheden, voorgeschreven in bijlage 14, deel 1, hoofdstuk 9.2, van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), ter plaatse aanwezig zijn;
b. een met de bediening van de brandblusmiddelen bekend persoon ter plaatse aanwezig is;
c. een EHBO-trommel of -kist ter plaatse aanwezig is.
10. De vlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van de vlucht gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.
11. De vlieger meldt zich voor de aanvang en na beëindiging van elke vlucht persoonlijk bij de motorsportvliegcoördinator.
2. Er wordt voortdurend op gelet dat het landingsterrein niet wordt beschadigd. Bij beschadiging wordt het motorsportvliegen op het betrokken deel van het terrein beëindigd. Indien een bij het motorsportvliegen betrokkene schade constateert, licht hij onmiddellijk de motorsportvliegcoördinator dan wel de hoofdvliegcoördinator in.
3. De minimumafmetingen van een graslandingsbaan ten behoeve van het motorsportvliegen zijn:
a. lengte 600 meter;
b. breedte 30 meter.
4. Indien het motorsportvliegen plaatsvindt vanaf een ander terreingedeelte dan vanaf de normale start- en landingsbanen, is de in gebruik zijnde graslandingsbaan als zodanig herkenbaar afgebakend en – zo de terreinomstandigheden dit toelaten – in de windrichting uitgezet.
5. De afstand tussen de in het derde lid bedoelde graslandingsbaan en een evenwijdig daaraan gelegen zweefvliegbaan bedraagt ten minste 150 m.
6. Bij het motorsportvliegen vanaf een militaire luchthaven gelden de volgende weerlimieten:
[tabel]
7. In afwijking van het zesde lid is het beoefenen van het motorsportvliegen toegestaan bij een vlieg- en grondzichtwaarde tussen 3 en 5 kilometer onder de volgende aanvullende bepalingen:
a. uitsluitend circuitverkeer is toegestaan;
b. in het circuit bevinden zich maximaal 2 vliegtuigen.
8. De motorsportvliegcoördinator kan houders van een geldig vliegbewijs incidenteel toestaan te vliegen bij een hogere windsnelheid dan 25 knopen ten aanzien van door hem te bepalen vluchten.
9. Het motorsportvliegen is slechts toegestaan, indien:
a. brandblusmiddelen, bevattende ten minste de hoeveelheden, voorgeschreven in bijlage 14, deel 1, hoofdstuk 9.2, van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), ter plaatse aanwezig zijn;
b. een met de bediening van de brandblusmiddelen bekend persoon ter plaatse aanwezig is;
c. een EHBO-trommel of -kist ter plaatse aanwezig is.
10. De vlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van de vlucht gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.
11. De vlieger meldt zich voor de aanvang en na beëindiging van elke vlucht persoonlijk bij de motorsportvliegcoördinator.