1. Een zweefvliegbaan is een voor het starten en landen van zweefvliegtuigen ingericht deel van een luchthaven. Afhankelijk van de startmethode wordt onderscheid gemaakt in lierbanen en sleepbanen.
2. Een lierbaan is een zweefvliegbaan waarbij voor het starten van zweefvliegtuigen gebruik wordt gemaakt van een lierinrichting. Een lierbaan omvat:
a. een lieropstelplaats;
b. een startplaats alwaar de zweefvliegtuigen aan de lierkabel worden bevestigd met daaraan aansluitend een lierstartstrook;
c. een strook grond tussen de lieropstelplaats en de opstelplaats voor zweefvliegtuigen, die wordt gebruikt voor het uitrijden van de lierkabels.
3. Een sleepbaan is een zweefvliegbaan waarbij voor het starten van zweefvliegtuigen gebruik wordt gemaakt van voor het opslepen van zweefvliegtuigen ingerichte motorvliegtuigen. Een sleepbaan omvat:
a. een opstelplaats voor zweefvliegtuigen, alwaar de zweefvliegtuigen aan het sleepvliegtuig worden bevestigd;
b. een baan voor de sleepvliegtuigen bestemd voor het opslepen van zweefvliegtuigen en het starten en landen met deze sleepvliegtuigen;
c. een mogelijke afwerpplaats voor sleepkabels.
4. Een zweefvliegbaan voldoet aan de volgende minimumeisen:
a. de lengte van de lierbaan is ten minste gelijk aan de lengte van de lierkabel;
b. de breedte van de lierbaan is ten minste 150 meter dan wel ten minste 100 meter mits aan één of weerszijden van de lierbaan een stuk grond is gelegen met een totale breedte van ten minste 50 meter dat als veiligheidsstrook kan dienen;
c. de veiligheidsstrook is vrij van obstakels en oneffenheden die gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
d. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van ten minste 25 meter binnen de grens van de luchthaven;
e. de startplaats heeft een lengte van ten minste 150 meter en een breedte van ten minste 50 meter;
f. de opstelplaats voor een zweefvliegtuig is niet gelegen op de startplaats;
g. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan, startplaats of opstelplaats;
h. de zweefvliegbaan die mede wordt gebruikt door een Touring Motor Glider (TMG) of zelfstartend zweefvliegtuig, heeft een lengte van ten minste 300 meter en is gelegen in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
i. de zweefvliegbaan die mede wordt gebruikt door een vliegtuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het slepen van een zweefvliegtuig, heeft een lengte van ten minste 600 meter en is gelegen in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en een breedte van ten minste 30 meter.
5. Het gebruik van de zweefvliegbaan voldoet aan de volgende eisen:
a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde personen aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de landingsplaats;
b. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de zweefvliegbaan in een rechte lijn uitgereden;
c. een in bedrijf zijnde lierinrichting is voorzien van een in werking gesteld oranje zwaailicht;
d. het opstijgen of doen opstijgen van een zweefvliegtuig door middel van een lier vindt alleen plaats, indien de vallende kabel niet buiten de zweefvliegbaan of de veiligheidsstrook, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
e. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt alleen plaats, indien de sleepkabel niet buiten de zweefvliegbaan kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal kunnen veroorzaken;
f. behoudens in geval van de koppeling van een zweefvliegtuig aan een sleepvliegtuig is het gelijktijdig starten of landen van een zweefvliegtuig, een TMG of een sleepvliegtuig niet toegestaan.
6. Landingsplaatsen en startplaatsen voldoen aan de volgende eisen:
a. de landingsplaats voor zweefvliegtuigen is terzijde van de opstelplaats van de zweefvliegtuigen gelegen;
b. de landingsplaats voor sleepvliegtuigen kan terzijde van en evenwijdig aan de sleepbaan voor zweefvliegtuigen worden uitgezet, met dien verstande dat de minimumafstand tussen de assen van deze banen ten minste 55 meter bedraagt; gelijktijdig gebruik met lierstarts is alleen toegestaan, indien starts in tijd worden gesepareerd;
c. startplaatsen en landingsplaatsen zijn als zodanig herkenbaar en zijn, indien de terreinomstandigheden dit toelaten, in de windrichting uitgezet;
d. de afwerpplaats voor de sleepkabel is op een veilige plaats ten opzichte van de voor vliegactiviteiten gebruikte terreingedeelten gelegen.
7. Er wordt voortdurend op gelet dat het landingsterrein niet wordt beschadigd. Bijzondere aandacht wordt daarbij besteed aan de conditie van de grasmat. Beschadiging door starts of landingen en uitrijden van lierkabels wordt voorkomen. Bij de eerste tekenen van een dergelijke schade wordt het zweefvliegen op het betrokken deel van het terrein beëindigd. Indien een bij het zweefvliegen betrokkene schade constateert, licht hij onmiddellijk de zweefvliegcoördinator dan wel de hoofdvliegcoördinator in.
8. De obstakelvrije zones voor een zweefvliegbaan voldoen aan de volgende eisen:
a. in het verlengde van de baan steken geen obstakels door een denkbeeldig vlak dat met de breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900 meter van de baan;
b. ter weerszijden van de baan steken geen obstakels door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in onderdeel a.
9. Sleepvluchten mogen slechts worden uitgevoerd, indien:
a. brandblusmiddelen, bevattende ten minste de hoeveelheden, voorgeschreven in bijlage 14, deel 1, hoofdstuk 9.2, van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), ter plaatse aanwezig zijn;
b. een met de bediening van de brandblusmiddelen bekend persoon ter plaatse aanwezig is;
c. nabij het begin van de startplaats een EHBO-trommel of -kist aanwezig is.
10. De sleepvlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van sleepvluchten gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.
11. Het gelijktijdig beoefenen van de lierstartmethode en de sleepstartmethode, de motorzwever daaronder begrepen, is slechts toegestaan wanneer de lierstartstrook en de sleepstartstrook of startstrook motorzwever volkomen van elkaar gescheiden zijn. Indien de assen van de stroken onderling evenwijdig lopen, dienen deze assen minimaal 150 meter ten opzichte van elkaar te zijn gelegen.
12. Voor het starten van zweefvliegtuigen vanaf een militaire luchthaven gelden de volgende weerlimieten:
[tabel]
Voor motorzweefvliegen gelden de weerlimieten voor sleepstarts.
13. De zweefvliegcoördinator kan houders van een zweefvliegbewijs incidenteel toestaan met behulp van een lier te starten bij een hogere windsnelheid dan 25 knopen ten aanzien van door hem te bepalen vluchten.