BWBR0033428
Geldig vanaf 01-10-2009
Artikel 6
Beleidsregels NMa bestuurlijke boetes vervoerswetgeving
1. Een boeteverhogende omstandigheid is in ieder geval de omstandigheid dat:
a. de Raad of een andere bevoegde autoriteit, waaronder begrepen een rechterlijke instantie, al eerder onherroepelijk eenzelfde of vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld;
b. de overtreder het onderzoek van de Raad heeft belemmerd.
2. Bij recidive als bedoeld in het vorige lid, onder a, verhoogt de Raad de basisboete met 100%, tenzij dit evident onredelijk zou zijn.
3. Een boeteverlagende omstandigheid is in ieder geval de omstandigheid dat:
a. de overtreder verdergaande medewerking aan de Raad heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was;
b. de overtreder uit eigen beweging de overtreding heeft beëindigd, waarbij meer gewicht toekomt aan het uit eigen beweging beëindigen van de overtreding voordat de Raad een onderzoek is begonnen dan nadat het onderzoek is gestart;
c. de overtreder uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is toegebracht, schadeloos heeft gesteld.
4. Bij toepassing van artikel 5, derde lid, aanhef, onder a, sub 2 of 3, of onder b, kan de Raad bij het in aanmerking nemen van boeteverhogende of -verlagende omstandigheden ook de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en diens positie binnen de organisatie/het bedrijf/de instelling waarvoor hij of zij werkzaam is (geweest), betrekken.
a. de Raad of een andere bevoegde autoriteit, waaronder begrepen een rechterlijke instantie, al eerder onherroepelijk eenzelfde of vergelijkbare door de overtreder begane overtreding heeft vastgesteld;
b. de overtreder het onderzoek van de Raad heeft belemmerd.
2. Bij recidive als bedoeld in het vorige lid, onder a, verhoogt de Raad de basisboete met 100%, tenzij dit evident onredelijk zou zijn.
3. Een boeteverlagende omstandigheid is in ieder geval de omstandigheid dat:
a. de overtreder verdergaande medewerking aan de Raad heeft verleend dan waartoe hij wettelijk gehouden was;
b. de overtreder uit eigen beweging de overtreding heeft beëindigd, waarbij meer gewicht toekomt aan het uit eigen beweging beëindigen van de overtreding voordat de Raad een onderzoek is begonnen dan nadat het onderzoek is gestart;
c. de overtreder uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is toegebracht, schadeloos heeft gesteld.
4. Bij toepassing van artikel 5, derde lid, aanhef, onder a, sub 2 of 3, of onder b, kan de Raad bij het in aanmerking nemen van boeteverhogende of -verlagende omstandigheden ook de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en diens positie binnen de organisatie/het bedrijf/de instelling waarvoor hij of zij werkzaam is (geweest), betrekken.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0033428
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl