BWBR0033004
Geldig vanaf 2022-10-19
Artikel 37
Wet financiering politieke partijen
1. Onze Minister kan besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 20, eerste lid, aanhef en onder b en e, 21, eerste en derde lid, 21a, 23, eerste lid, 23a, eerste, tweede en derde lid, 25, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, en tweede lid, 25a, eerste en tweede lid, 27, derde en vierde lid, 28, eerste lid, aanhef en onder a en b, en tweede lid, 28a, eerste en tweede lid, 29, eerste, tweede en vijfde lid, 29b, 30, eerste en tweede lid, aanhef en onder a en b, 31, eerste, tweede en derde lid, 32, eerste en tweede lid, 32aen 33, eerste en tweede lid.
2. In het eerste lid worden de artikelen 30, 31, 32en 33gelezen in samenhang met de in deze artikelen van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen.
3. De boete wordt opgelegd aan de politieke partij, de neveninstelling, de vereniging, bedoeld in artikel 31, dan wel aan de kandidaat, bedoeld in artikel 32.
4. Bij handelen of nalaten in strijd met één van de artikelleden of onderdelen daarvan, genoemd in het eerste lid, bedraagt de boete ten hoogste € 25 000.
5. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd wegens het handelen of nalaten door verenigingen als bedoeld in artikel 31, indien begaan voor de dag van de registratie van de aanduiding, bedoeld in artikel 31.
6. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd wegens het handelen of nalaten, bedoeld in het eerste lid, door kandidaten als bedoeld in artikel 32, indien begaan voor de dag van kandidaatstelling voor de verkiezing, bedoeld in artikel 32.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de op te leggen boetes.
8. Het bedrag van de boete komt toe aan de Staat.
9. Indien een politieke partij subsidie ontvangt, kan Onze Minister een aan de partij opgelegde boete verrekenen met de subsidie.
10. Indien een politieke partij aan een neveninstelling op grond van artikel 11een bedrag betaalt, kan Onze Minister een aan de neveninstelling opgelegde boete verrekenen met de subsidie die de partij ten behoeve van die neveninstelling ontvangt.
2. In het eerste lid worden de artikelen 30, 31, 32en 33gelezen in samenhang met de in deze artikelen van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen.
3. De boete wordt opgelegd aan de politieke partij, de neveninstelling, de vereniging, bedoeld in artikel 31, dan wel aan de kandidaat, bedoeld in artikel 32.
4. Bij handelen of nalaten in strijd met één van de artikelleden of onderdelen daarvan, genoemd in het eerste lid, bedraagt de boete ten hoogste € 25 000.
5. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd wegens het handelen of nalaten door verenigingen als bedoeld in artikel 31, indien begaan voor de dag van de registratie van de aanduiding, bedoeld in artikel 31.
6. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd wegens het handelen of nalaten, bedoeld in het eerste lid, door kandidaten als bedoeld in artikel 32, indien begaan voor de dag van kandidaatstelling voor de verkiezing, bedoeld in artikel 32.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de op te leggen boetes.
8. Het bedrag van de boete komt toe aan de Staat.
9. Indien een politieke partij subsidie ontvangt, kan Onze Minister een aan de partij opgelegde boete verrekenen met de subsidie.
10. Indien een politieke partij aan een neveninstelling op grond van artikel 11een bedrag betaalt, kan Onze Minister een aan de neveninstelling opgelegde boete verrekenen met de subsidie die de partij ten behoeve van die neveninstelling ontvangt.