BWBR0031837
Geldig vanaf 2015-07-25
Artikel 6.6
Mandaatbesluit BZK 2012
1. Het mandaat van de directeur is niet van toepassing op het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot:
a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder het diensthoofd of de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
b. het aanstellen van een ambtenaar;
c. het verlenen van een gratificatie bij ambtsjubileum;
d. het opleggen van een disciplinaire straf;
e. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt;
f. het verlenen van ontslag aan een ambtenaar;
g. het aanwijzen van een ambtenaar als herplaatsingskandidaat;
h. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd of de algemeen directeur, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend;
i. het besluiten tot een reorganisatie in de zin van de rechtspositieregeling;
j. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,– of immateriële schadevergoeding;
k. het vaststellen van de formatie van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen;
l. de onderwerpen genoemd in artikel 4.10.
2. De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met f, gelden niet voor het mandaat van de directeur die leiding geeft aan een baten-lastendienst of agentschap, of aan een organisatieonderdeel waarbij de ambtenaren niet aangesteld worden op het niveau van het dienstonderdeel (flexibilisering), maar op het niveau van het desbetreffende organisatieonderdeel.
a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder het diensthoofd of de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
b. het aanstellen van een ambtenaar;
c. het verlenen van een gratificatie bij ambtsjubileum;
d. het opleggen van een disciplinaire straf;
e. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt;
f. het verlenen van ontslag aan een ambtenaar;
g. het aanwijzen van een ambtenaar als herplaatsingskandidaat;
h. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd of de algemeen directeur, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend;
i. het besluiten tot een reorganisatie in de zin van de rechtspositieregeling;
j. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,– of immateriële schadevergoeding;
k. het vaststellen van de formatie van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen;
l. de onderwerpen genoemd in artikel 4.10.
2. De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met f, gelden niet voor het mandaat van de directeur die leiding geeft aan een baten-lastendienst of agentschap, of aan een organisatieonderdeel waarbij de ambtenaren niet aangesteld worden op het niveau van het dienstonderdeel (flexibilisering), maar op het niveau van het desbetreffende organisatieonderdeel.