BWBR0031837
Geldig vanaf 2015-07-25
Artikel 2.2
Mandaatbesluit BZK 2012
1. Mandaat wordt eveneens niet verleend met betrekking tot het afdoen en ondertekenen van stukken aan:
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
d. een minister of een staatssecretaris;
e. de Raad van State (van het Koninkrijk);
f. de Algemene Rekenkamer;
g. de Nationale Ombudsman;
h. de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
i. de Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
j. de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
k. de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
l. buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
tenzij het een stuk betreft van louter informatieve of administratieve aard, dan wel het een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
2. In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen voor bepaalde aangelegenheden door de Minister aan de Secretaris-generaal of een diensthoofd of algemeen directeur mandaat worden verleend.
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
d. een minister of een staatssecretaris;
e. de Raad van State (van het Koninkrijk);
f. de Algemene Rekenkamer;
g. de Nationale Ombudsman;
h. de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
i. de Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
j. de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
k. de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
l. buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of een staatssecretaris.
tenzij het een stuk betreft van louter informatieve of administratieve aard, dan wel het een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.
2. In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen voor bepaalde aangelegenheden door de Minister aan de Secretaris-generaal of een diensthoofd of algemeen directeur mandaat worden verleend.