BWBR0031753
Geldig vanaf 2015-12-11
Artikel 5
Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie
1. De ambtenaar, aan wie het arrangement, bedoeld in artikel 3, onder a, is toegekend, behoudt bij de aanstelling in een andere functie binnen de sector Rijk waarvoor een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan de voor hem geldende salarisschaal in de substantieel bezwarende functie, laatstgenoemde salarisschaal.
2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking voor een aflopende toelage, overeenkomstig artikel 18b van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984.
3. Het bevoegd gezag kent de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij aanvaarding van een lager gewaardeerde andere functie buiten de sector Rijk, gedurende een periode van vijf jaar een maandelijkse aanvulling op zijn inkomen toe.
4. De berekeningsbasis van de aanvulling, bedoeld in het derde lid, bedraagt het verschil tussen:
a. de som van het laatstelijk in de substantieel bezwarende functie genoten salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen, bedoeld in hoofdstuk III van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, en
b. het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling bedraagt niet meer dan 30% van de som van de onder a bedoelde aanspraken.
5. Indien de toelagen, bedoeld in het vierde lid, onder a, een variabel karakter dragen, moet voor de toelagen worden gerekend met het bedrag waarop de ambtenaar gemiddeld aanspraak heeft gehad in de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan het aanvaarden van de andere functie buiten de sector Rijk.
6. Het inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van de aanspraken, bedoeld in het vierde lid, onder a, omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk.
7. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100%, het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis.
8. De ambtenaar is verplicht binnen een maand na afloop van elke periode van twaalf maanden waarin de aanvulling is genoten, een inkomensverklaring over te leggen aan het bevoegd gezag.
2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking voor een aflopende toelage, overeenkomstig artikel 18b van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984.
3. Het bevoegd gezag kent de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij aanvaarding van een lager gewaardeerde andere functie buiten de sector Rijk, gedurende een periode van vijf jaar een maandelijkse aanvulling op zijn inkomen toe.
4. De berekeningsbasis van de aanvulling, bedoeld in het derde lid, bedraagt het verschil tussen:
a. de som van het laatstelijk in de substantieel bezwarende functie genoten salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen, bedoeld in hoofdstuk III van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, en
b. het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling bedraagt niet meer dan 30% van de som van de onder a bedoelde aanspraken.
5. Indien de toelagen, bedoeld in het vierde lid, onder a, een variabel karakter dragen, moet voor de toelagen worden gerekend met het bedrag waarop de ambtenaar gemiddeld aanspraak heeft gehad in de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan het aanvaarden van de andere functie buiten de sector Rijk.
6. Het inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van de aanspraken, bedoeld in het vierde lid, onder a, omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk.
7. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100%, het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis.
8. De ambtenaar is verplicht binnen een maand na afloop van elke periode van twaalf maanden waarin de aanvulling is genoten, een inkomensverklaring over te leggen aan het bevoegd gezag.