BWBR0030304
Geldig vanaf 2011-07-30
Artikel 5
Besluit mandaat, volmacht en machtiging Algemene Zaken
1. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal zijn bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van volmacht en machtiging aan een onder hun ressorterend diensthoofd of een andere rechtstreeks onder hun ressorterende functionaris. De secretaris-generaal legt deze besluiten ter goedkeuring aan de minister voor.
2. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal zijn bevoegd per geval of in het algemeen instructies te geven aan een onder hun ressorterend diensthoofd of een andere rechtstreeks onder hun ressorterende functionaris ter zake van de uitoefening van het verleende ondermandaat, de doorverleende volmacht en de doorverleende machtiging.
3. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal kunnen bij verlening van ondermandaat en het doorverlenen van volmacht en machtiging aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, besluiten dat deze vervolgens bevoegd is tot verlening van ondermandaat en het doorverlenen van volmacht en machtiging aan een rechtstreeks onder deze ressorterende functionaris.
4. Bij toepassing van het derde lid verleent de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal de functionaris genoemd in het eerste lid de bevoegdheid per geval of in het algemeen nadere instructies te geven aan een rechtstreeks onder deze ressorterende functionaris ter zake van de uitoefening van het verleende ondermandaat, de doorverleende volmacht en de doorverleende machtiging.
5. Een functionaris als bedoeld in het eerste lid legt zijn besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid ter goedkeuring aan de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal voor.
2. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal zijn bevoegd per geval of in het algemeen instructies te geven aan een onder hun ressorterend diensthoofd of een andere rechtstreeks onder hun ressorterende functionaris ter zake van de uitoefening van het verleende ondermandaat, de doorverleende volmacht en de doorverleende machtiging.
3. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal kunnen bij verlening van ondermandaat en het doorverlenen van volmacht en machtiging aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, besluiten dat deze vervolgens bevoegd is tot verlening van ondermandaat en het doorverlenen van volmacht en machtiging aan een rechtstreeks onder deze ressorterende functionaris.
4. Bij toepassing van het derde lid verleent de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal de functionaris genoemd in het eerste lid de bevoegdheid per geval of in het algemeen nadere instructies te geven aan een rechtstreeks onder deze ressorterende functionaris ter zake van de uitoefening van het verleende ondermandaat, de doorverleende volmacht en de doorverleende machtiging.
5. Een functionaris als bedoeld in het eerste lid legt zijn besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid ter goedkeuring aan de secretaris-generaal of de plaatsvervangend secretaris-generaal voor.