BWBR0029252
Geldig vanaf 2013-11-05
Artikel 33
Regeling praktijkleren en Groene plus
1. De ontvanger van de subsidie dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 32, tweede lid, bij de Minister de aanvraag in voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een activiteitenverslag.
2. Indien de ontvanger een instelling is neemt hij de bestemming en besteding van de subsidie tevens op in de jaarrekening, gespecificeerd naar het doel waarvoor deze is verstrekt.
3. het activiteitenverslag, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste:
a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering;
b. de mate waarin het doel, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel b, is gehaald;
c. de mate van realisatie van de uitkomsten, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, op basis van de indicatoren, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel g;
d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het bereiken van de afspraken, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel c.
4. Indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 125.000,– gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van een accountantsverklaring.
5. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
6. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrechtworden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.
2. Indien de ontvanger een instelling is neemt hij de bestemming en besteding van de subsidie tevens op in de jaarrekening, gespecificeerd naar het doel waarvoor deze is verstrekt.
3. het activiteitenverslag, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste:
a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering;
b. de mate waarin het doel, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel b, is gehaald;
c. de mate van realisatie van de uitkomsten, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, op basis van de indicatoren, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel g;
d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het bereiken van de afspraken, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel c.
4. Indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 125.000,– gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van een accountantsverklaring.
5. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
6. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrechtworden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.