BWBR0029252
Geldig vanaf 2013-11-05
Artikel 28
Regeling praktijkleren en Groene plus
1. De minister kan jaarlijks, waar van toepassing met inachtneming van de landelijke agenda en waar voorkomend afspraken met de organisaties of de instellingen, het volgende bekend maken:
a. de activiteiten en het doel van deze activiteiten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd;
b. de onderzoeksinstellingen die een aanvraag kunnen indienen zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid;
c. het subsidieplafond per activiteit of groep van activiteiten, en
d. eventuele nadere voorwaarden voor de aanvrager.
2. De Minister kan in het besluit, bedoeld in het eerste lid, activiteiten opnemen waarvoor reeds eerder bij beschikking subsidie is verleend. Deze activiteiten worden verder beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 27. De artikelen 29 tot en met 33zijn niet van toepassing op deze activiteiten.
3. De subsidiabele kosten zijn:
a. de kosten van het in te zetten personeel van de aanvrager. Indien de aanvrager een organisatie is, zijn alleen de kosten van personeel dat specifiek ten dienste van de uitvoering van de aangevraagde activiteit wordt ingezet subsidiabel;
b. de kosten voor de inhuur van ondersteuningsinstellingen, bedrijven en onderzoeksinstellingen die noodzakelijk zijn voor het doel en de aard van de aangevraagde activiteit;
c. de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de regeling, tot een maximum van € 2.500,–, en
d. materiële kosten die noodzakelijk zijn gezien het doel en de aard van de aangevraagde activiteit.
a. de activiteiten en het doel van deze activiteiten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd;
b. de onderzoeksinstellingen die een aanvraag kunnen indienen zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid;
c. het subsidieplafond per activiteit of groep van activiteiten, en
d. eventuele nadere voorwaarden voor de aanvrager.
2. De Minister kan in het besluit, bedoeld in het eerste lid, activiteiten opnemen waarvoor reeds eerder bij beschikking subsidie is verleend. Deze activiteiten worden verder beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 27. De artikelen 29 tot en met 33zijn niet van toepassing op deze activiteiten.
3. De subsidiabele kosten zijn:
a. de kosten van het in te zetten personeel van de aanvrager. Indien de aanvrager een organisatie is, zijn alleen de kosten van personeel dat specifiek ten dienste van de uitvoering van de aangevraagde activiteit wordt ingezet subsidiabel;
b. de kosten voor de inhuur van ondersteuningsinstellingen, bedrijven en onderzoeksinstellingen die noodzakelijk zijn voor het doel en de aard van de aangevraagde activiteit;
c. de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de regeling, tot een maximum van € 2.500,–, en
d. materiële kosten die noodzakelijk zijn gezien het doel en de aard van de aangevraagde activiteit.