BWBR0028905
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 3:5
Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010
Hybride instrumenten waaraan een calloptie of een renteopstap is verbonden, kunnen voor de berekening van het lager aanvullend kapitaal (lower tier 2) uitsluitend worden gelijkgesteld met vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 92, derde lid, van het Besluit, indien:
a. in het geval van een calloptie: deze calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en na verkregen toestemming van DNB;
b. in het geval van een renteopstap: deze renteopstap voldoet aan het bepaalde in artikel 3:4, met dien verstande dat: 1°. het in artikel 3:4, tweede lid, genoemde aantal verstreken kalenderjaren ten minste vijf is;
2°. de in artikel 3:4, derde lid, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd; en
1°. het in artikel 3:4, tweede lid, genoemde aantal verstreken kalenderjaren ten minste vijf is;
2°. de in artikel 3:4, derde lid, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd; en
c. de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van de calloptie vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.
a. in het geval van een calloptie: deze calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de financiële onderneming en na verkregen toestemming van DNB;
b. in het geval van een renteopstap: deze renteopstap voldoet aan het bepaalde in artikel 3:4, met dien verstande dat: 1°. het in artikel 3:4, tweede lid, genoemde aantal verstreken kalenderjaren ten minste vijf is;
2°. de in artikel 3:4, derde lid, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd; en
1°. het in artikel 3:4, tweede lid, genoemde aantal verstreken kalenderjaren ten minste vijf is;
2°. de in artikel 3:4, derde lid, genoemde maximale waarden van de renteopstap bij effectuering na vijf jaar wordt gehalveerd en bij effectuering van de renteopstap tussen vijf en tien jaar rechtlijnig mag worden geïnterpoleerd; en
c. de verlaging, bedoeld in artikel 92, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van het Besluit, wordt toegepast uiterlijk vanaf het moment waarop de uitoefening van de calloptie vrijwel zeker is en de verwachte datum van uitoefening als aflossingsdatum wordt gehanteerd.
- Citeren als
- Art. 3:5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028905
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl