BWBR0028905
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 3:3
Regeling hybride instrumenten banken en andere financiële ondernemingen (exclusief verzekeraars) Wft 2010
1. Een calloptie is slechts uitoefenbaar op initiatief van de financiële onderneming, nadat een periode van ten minste vijf jaar is verstreken, gerekend vanaf de uitgiftedatum en na verkregen toestemming van DNB.
2. De toestemming van DNB, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien na de uitoefening van de calloptie vervangend kapitaal, bestaande uit een ander financieel instrument van gelijke of hogere kwaliteit, aanwezig is respectievelijk onverwijld beschikbaar komt.
3. In afwijking van het tweede lid kan DNB de toestemming verlenen zonder dat kwalificerend vervangend kapitaal aanwezig is of onverwijld beschikbaar komt, indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van waaruit het hybride instrument bij uitoefening van de calloptie wordt onttrokken, op prudente afstand blijft boven de minimumomvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 60, 63 en 64 van het Besluit ligt.
2. De toestemming van DNB, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien na de uitoefening van de calloptie vervangend kapitaal, bestaande uit een ander financieel instrument van gelijke of hogere kwaliteit, aanwezig is respectievelijk onverwijld beschikbaar komt.
3. In afwijking van het tweede lid kan DNB de toestemming verlenen zonder dat kwalificerend vervangend kapitaal aanwezig is of onverwijld beschikbaar komt, indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van waaruit het hybride instrument bij uitoefening van de calloptie wordt onttrokken, op prudente afstand blijft boven de minimumomvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in de artikelen 60, 63 en 64 van het Besluit ligt.
- Citeren als
- Art. 3:3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028905
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl