BWBR0028899
Geldig vanaf 2010-11-01
Artikel 30
Wet griffierechten burgerlijke zaken
1. Bij gebreke van betaling geschiedt de invordering van de griffierechten en de door de griffier vooruitbetaalde verschotten krachtens een door de griffier uit te vaardigen dwangbevel.
2. Het dwangbevel wordt uitvoerbaar verklaard indien het een enkelvoudige kamer betreft, door de rechter in die kamer dan wel, indien het een meervoudige kamer betreft, door de voorzitter van die kamer van het betrokken gerecht. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>kan worden tenuitvoergelegd, indien tenminste een maand na de betekening is verstreken.
3. Gedurende een maand na de betekening van het dwangbevel kan de schuldenaar bij het betrokken gerecht, rechtdoende in burgerlijke zaken, daartegen door indiening van een verzoek in verzet komen.
4. Tegen de beslissing van het gerecht is geen hogere voorziening toegelaten.
5. Voor de indiening van het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt geen griffierecht geheven.
2. Het dwangbevel wordt uitvoerbaar verklaard indien het een enkelvoudige kamer betreft, door de rechter in die kamer dan wel, indien het een meervoudige kamer betreft, door de voorzitter van die kamer van het betrokken gerecht. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>kan worden tenuitvoergelegd, indien tenminste een maand na de betekening is verstreken.
3. Gedurende een maand na de betekening van het dwangbevel kan de schuldenaar bij het betrokken gerecht, rechtdoende in burgerlijke zaken, daartegen door indiening van een verzoek in verzet komen.
4. Tegen de beslissing van het gerecht is geen hogere voorziening toegelaten.
5. Voor de indiening van het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt geen griffierecht geheven.