BWBR0028862
Geldig vanaf 2010-10-19
Artikel 8
Regeling eenmalige uitkering planstudies en proefprojecten IKS
1. De minister rangschikt de projectvoorstellen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, die op grond van artikel 7positief zijn beoordeeld, waarbij een projectvoorstel hoger in de rangschikking wordt geplaatst naarmate naar het oordeel van de minister het projectvoorstel een grotere bijdrage levert aan de doelstelling van de uitkering.
2. Bij de rangschikking houdt de minister rekening met:
a. de mate van innovatie op het gebied van organisatie- en samenwerkingsvormen;
b. de mate van innovatie op het gebied van het creëren van draagvlak bij burgers en lokale partijen;
c. de mate van innovatie waarmee ideeën en concepten uit meerdere innovatieprogramma’s worden gecombineerd;
d. de mate van samenwerking met andere partijen;
e. de mate waarin het proefproject naar verwachting bijdraagt aan het resultaat dat de aanvrager wil bereiken;
f. de mate waarin het proefproject naar verwachting herhaald kan worden of bruikbaar is voor andere gemeenten;
g. de haalbaarheid van het proefproject;
h. de spreiding van de proefprojecten over Nederland, en
i. de diversiteit van de thema’s van de Innovatieagenda waarop
het project betrekking heeft.
3. De minister kan externen inzetten die tot taak hebben projectvoorstellen overeenkomstig het eerste en tweede lid te beoordelen en over de rangschikking een niet bindend advies uit te brengen aan de minister.
2. Bij de rangschikking houdt de minister rekening met:
a. de mate van innovatie op het gebied van organisatie- en samenwerkingsvormen;
b. de mate van innovatie op het gebied van het creëren van draagvlak bij burgers en lokale partijen;
c. de mate van innovatie waarmee ideeën en concepten uit meerdere innovatieprogramma’s worden gecombineerd;
d. de mate van samenwerking met andere partijen;
e. de mate waarin het proefproject naar verwachting bijdraagt aan het resultaat dat de aanvrager wil bereiken;
f. de mate waarin het proefproject naar verwachting herhaald kan worden of bruikbaar is voor andere gemeenten;
g. de haalbaarheid van het proefproject;
h. de spreiding van de proefprojecten over Nederland, en
i. de diversiteit van de thema’s van de Innovatieagenda waarop
het project betrekking heeft.
3. De minister kan externen inzetten die tot taak hebben projectvoorstellen overeenkomstig het eerste en tweede lid te beoordelen en over de rangschikking een niet bindend advies uit te brengen aan de minister.