BWBR0028548
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 11
Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie
1. Op eigen verzoek kan een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg tijdelijk worden aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2. De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van de aanwijzing en van de verlenging bedragen elk drie jaar.
3. De aanwijzing van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg wordt schriftelijk gegeven door het bestuur van het Hof en vermeldt tenminste:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. zijn functie;
c. de dag van ingang van de aanwijzing;
d. zijn standplaats;
e. de hoogte van het salaris;
f. de arbeidsduur.
4. Op verzoek van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg kan het bestuur van het Hof besluiten tot wijziging van:
a. de standplaats;
b. de arbeidsduur.
5. De beslissing tot verlenging dan wel tussentijdse wijziging van de aanwijzing geschiedt schriftelijk door het bestuur van het Hof.
6. Gedurende de periode van aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12 tot en met 14, 16 tot en met 19, 20 eerste, tweede en vierde lid, 2122, 24 en 26, van overeenkomstige toepassing.
2. De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van de aanwijzing en van de verlenging bedragen elk drie jaar.
3. De aanwijzing van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg wordt schriftelijk gegeven door het bestuur van het Hof en vermeldt tenminste:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. zijn functie;
c. de dag van ingang van de aanwijzing;
d. zijn standplaats;
e. de hoogte van het salaris;
f. de arbeidsduur.
4. Op verzoek van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg kan het bestuur van het Hof besluiten tot wijziging van:
a. de standplaats;
b. de arbeidsduur.
5. De beslissing tot verlenging dan wel tussentijdse wijziging van de aanwijzing geschiedt schriftelijk door het bestuur van het Hof.
6. Gedurende de periode van aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12 tot en met 14, 16 tot en met 19, 20 eerste, tweede en vierde lid, 2122, 24 en 26, van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028548
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl