BWBR0028516
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 8
Wet openbare registers BES
1. De openbare registers waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn, worden ingeschreven, zijn:
a. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn:
b. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn;
c. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn;
d. het register van voorlopige aantekeningen onderscheidenlijk voor onroerende zaken, schepen en luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, waarin de aanbieding van stukken waarvan de inschrijving door de bewaarder ingevolge titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is geweigerd, wordt aangetekend onder vermelding van de gerezen bedenkingen.
2. Indien naar het oordeel van de bewaarder in de stukken die ter inschrijving worden aangeboden niet genoegzaam wordt aangetoond, dat het een schip betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, tekent de bewaarder de aanbieding van de stukken aan in het register van voorlopige aantekeningen.
3. Tot de openbare registers, bedoeld in het eerste lid, behoren ook de openbare registers, bedoeld in de Landsverordening openbare registers, voor zover de inschrijvingen of aantekeningen daarin betrekking hebben op registergoederen in het eilandgebied of op registergoederen die ten kantore zijn ingeschreven op het eilandgebied.
4. Het derde lid is slechts van toepassing op inschrijvingen of aantekeningen die betrekking hebben op visserijvaartuigen en op schepen, niet zijnde visserijvaartuigen, waarvan uiterlijk op de dag voor inwerkingtreding van deze wet door het bevoegd gezag is vastgesteld dat voldoende gewaarborgd is dat het gebruik beperkt blijft tot privédoeleinden.
5. Het bestuurscollege regelt nader uit welke onderdelen de registers, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, onderscheidenlijk c, bestaan. Het bestuurscollege stelt nadere regelen vast ter zake van de vorm van de in het eerste lid bedoelde registers.
6. Het bestuurscollege stelt voorts, onverminderd het bepaalde dienaangaande bij of krachtens andere wetsbepaling, vast de gevallen waarin in de in het eerste lid bedoelde registers door de bewaarder aantekeningen, daaronder begrepen doorhalingen van inschrijvingen in die registers, worden gesteld, de aard van die aantekeningen en de wijze waarop deze worden gesteld, in dier voege:
a. dat de doorhaling behoudens in het onder d voorziene geval, slechts geschiedt op grond van de in de desbetreffende registers ingeschreven stukken die de bewaarder tot doorhaling machtigen;
b. dat na een inschrijving van een stuk dat tot doorhaling machtigt, deze terstond geschiedt;
c. dat, tenzij ingevolge artikel 9, eerste lid, of artikel 11, zevende lid, van dat stuk een afschrift in de vorm van een mechanische reproduktie is vervaardigd, op het stuk door middel waarvan het door te halen feit is ingeschreven, wordt vermeld op grond van welk stuk de doorhaling is geschied; en
d. dat, zo ingevolge een wetsbepaling door een beschikking of door de inschrijving van enig stuk met betrekking tot een zaak bestaande lasten en rechten vervallen of tenietgaan, na de inschrijving van die beschikking of van dat stuk de inschrijvingen betreffende hypotheken en beslagen die door die beschikking, onderscheidenlijk de inschrijving van dat stuk, waardeloos zijn geworden, met bekwame spoed worden doorgehaald.
a. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op onroerende zaken en de rechten waaraan deze onderworpen zijn:
b. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op schepen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn;
c. de registers van inschrijving van feiten die betrekking hebben op luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn;
d. het register van voorlopige aantekeningen onderscheidenlijk voor onroerende zaken, schepen en luchtvaartuigen en de rechten waaraan deze onderworpen zijn, waarin de aanbieding van stukken waarvan de inschrijving door de bewaarder ingevolge titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is geweigerd, wordt aangetekend onder vermelding van de gerezen bedenkingen.
2. Indien naar het oordeel van de bewaarder in de stukken die ter inschrijving worden aangeboden niet genoegzaam wordt aangetoond, dat het een schip betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, tekent de bewaarder de aanbieding van de stukken aan in het register van voorlopige aantekeningen.
3. Tot de openbare registers, bedoeld in het eerste lid, behoren ook de openbare registers, bedoeld in de Landsverordening openbare registers, voor zover de inschrijvingen of aantekeningen daarin betrekking hebben op registergoederen in het eilandgebied of op registergoederen die ten kantore zijn ingeschreven op het eilandgebied.
4. Het derde lid is slechts van toepassing op inschrijvingen of aantekeningen die betrekking hebben op visserijvaartuigen en op schepen, niet zijnde visserijvaartuigen, waarvan uiterlijk op de dag voor inwerkingtreding van deze wet door het bevoegd gezag is vastgesteld dat voldoende gewaarborgd is dat het gebruik beperkt blijft tot privédoeleinden.
5. Het bestuurscollege regelt nader uit welke onderdelen de registers, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, onderscheidenlijk c, bestaan. Het bestuurscollege stelt nadere regelen vast ter zake van de vorm van de in het eerste lid bedoelde registers.
6. Het bestuurscollege stelt voorts, onverminderd het bepaalde dienaangaande bij of krachtens andere wetsbepaling, vast de gevallen waarin in de in het eerste lid bedoelde registers door de bewaarder aantekeningen, daaronder begrepen doorhalingen van inschrijvingen in die registers, worden gesteld, de aard van die aantekeningen en de wijze waarop deze worden gesteld, in dier voege:
a. dat de doorhaling behoudens in het onder d voorziene geval, slechts geschiedt op grond van de in de desbetreffende registers ingeschreven stukken die de bewaarder tot doorhaling machtigen;
b. dat na een inschrijving van een stuk dat tot doorhaling machtigt, deze terstond geschiedt;
c. dat, tenzij ingevolge artikel 9, eerste lid, of artikel 11, zevende lid, van dat stuk een afschrift in de vorm van een mechanische reproduktie is vervaardigd, op het stuk door middel waarvan het door te halen feit is ingeschreven, wordt vermeld op grond van welk stuk de doorhaling is geschied; en
d. dat, zo ingevolge een wetsbepaling door een beschikking of door de inschrijving van enig stuk met betrekking tot een zaak bestaande lasten en rechten vervallen of tenietgaan, na de inschrijving van die beschikking of van dat stuk de inschrijvingen betreffende hypotheken en beslagen die door die beschikking, onderscheidenlijk de inschrijving van dat stuk, waardeloos zijn geworden, met bekwame spoed worden doorgehaald.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028516
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl