BWBR0027331
Geldig vanaf 2010-03-02
Artikel 9
Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen
1. Subsidie wordt slechts aan één aanvrager verleend.
2. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechten onverminderd het vierde, tot en met zesde lid worden subsidieaanvragen die op of na 1 april 2010 worden ingediend, afgewezen.
3. De beschikking tot verlening impliceert instemming met het activiteitenplan voor het jaar 2010.
4. Subsidie wordt uitsluitend verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen de doelstellingen van de subsidieverlening.
5. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op de tijdig ingediende aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan het stimuleren van praktijkgericht onderzoek bij hogescholen en de kennisuitwisseling tussen hogescholen en het midden- en kleinbedrijf, tussen hogescholen en de publieke sector en tussen hogescholen en buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven.
6. Bij zijn beslissing houdt de minister rekening met:
a. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht alle activiteiten, bedoeld in artikel 2, uit te voeren;
b. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht de activiteiten, bedoeld in artikel 2, in samenhang uit te voeren; en
c. de mate waarin de aanvrager in het verleden aantoonbaar op projectbasis heeft samengewerkt met hogescholen, midden- en kleinbedrijf en publieke sector.
7. De minister beslist vóór 1 mei 2010.
2. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechten onverminderd het vierde, tot en met zesde lid worden subsidieaanvragen die op of na 1 april 2010 worden ingediend, afgewezen.
3. De beschikking tot verlening impliceert instemming met het activiteitenplan voor het jaar 2010.
4. Subsidie wordt uitsluitend verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarvan de statutaire doelstelling past binnen de doelstellingen van de subsidieverlening.
5. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op de tijdig ingediende aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan het stimuleren van praktijkgericht onderzoek bij hogescholen en de kennisuitwisseling tussen hogescholen en het midden- en kleinbedrijf, tussen hogescholen en de publieke sector en tussen hogescholen en buitenlandse kennisinstellingen en buitenlandse bedrijven.
6. Bij zijn beslissing houdt de minister rekening met:
a. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht alle activiteiten, bedoeld in artikel 2, uit te voeren;
b. de mate waarin de aanvrager in staat moet worden geacht de activiteiten, bedoeld in artikel 2, in samenhang uit te voeren; en
c. de mate waarin de aanvrager in het verleden aantoonbaar op projectbasis heeft samengewerkt met hogescholen, midden- en kleinbedrijf en publieke sector.
7. De minister beslist vóór 1 mei 2010.