BWBR0026710
Geldig vanaf 2009-11-25
Artikel 2.17
Invoeringswet Waterwet
1. Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, met uitzondering van de artikelen 76m tot en met 76o van de Wet bodembescherming, blijft van toepassing ten aanzien van saneringen van gevallen van verontreiniging in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvoor vóór dat tijdstip een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembeschermingis gegeven waarbij ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembeschermingis vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. De eerste volzin is van toepassing tot het moment dat het bevoegde gezag overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembeschermingheeft ingestemd met het verslag van de sanering.
2. Bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de Wet bodembescherming, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 5.15, tweede lid, van de Waterwet.
3. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, in samenhang met artikel 63a, eerste lid, van de Wet bodembeschermingtot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwettot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen.
4. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, van de Wet bodembeschermingtot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, dat betrekking heeft op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwettot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
5. Artikel 74 van de Wet bodembeschermingblijft van toepassing ten aanzien van bevelen als bedoeld in artikel 30, derde of vierde lid, of artikel 49juncto artikel 30, derde of vierde lid, van die wet, met betrekking tot de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
6. Artikel 75 van de Wet bodembeschermingblijft van toepassing ten aanzien van het verhalen van de kosten van onderzoeksgevallen en van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover die kosten zijn gemaakt dan wel tot het doen van onderzoek of het uitvoeren van een sanering opdracht is verstrekt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
2. Bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de Wet bodembescherming, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 30, tweede tot en met vierde lid, van de Wet bodembescherming in samenhang met artikel 5.15, tweede lid, van de Waterwet.
3. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, in samenhang met artikel 63a, eerste lid, van de Wet bodembeschermingtot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwettot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen.
4. Bevelen als bedoeld in artikel 43, eerste, derde of vierde lid, van de Wet bodembeschermingtot het verrichten van nader onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, dat betrekking heeft op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als bevelen als bedoeld in artikel 5.16, eerste, tweede of derde lid, van de Waterwettot het verrichten van onderzoek of het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gegeven door de beheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
5. Artikel 74 van de Wet bodembeschermingblijft van toepassing ten aanzien van bevelen als bedoeld in artikel 30, derde of vierde lid, of artikel 49juncto artikel 30, derde of vierde lid, van die wet, met betrekking tot de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, gegeven door gedeputeerde staten vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.
6. Artikel 75 van de Wet bodembeschermingblijft van toepassing ten aanzien van het verhalen van de kosten van onderzoeksgevallen en van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover die kosten zijn gemaakt dan wel tot het doen van onderzoek of het uitvoeren van een sanering opdracht is verstrekt vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.13.