1. Een vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van een waterschap met betrekking tot een handeling als bedoeld in
artikel 6.2 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is krachtens
artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt gelijkgesteld met een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap verleende watervergunning als bedoeld in de
Waterwetvoor de desbetreffende handeling, tenzij ingevolge
artikel 6.7 van die weteen vrijstelling van toepassing is.
2. Een vergunning met betrekking tot lozen met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 6.2 van de Waterwetvan kracht is krachtens
artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt, indien op dat lozen artikel 6.2 van de Waterwet niet van toepassing is, gelijkgesteld met:
a. indien het lozen plaatsvindt vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: een vergunning krachtens artikel 8.1 van die wet, verleend door het voor die inrichting bevoegde gezag ingevolge artikel 8.2 van die wet;
b. indien het lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste lid, van die wet, verleend door burgemeester en wethouders.
3. Het dagelijks bestuur van het waterschap draagt de archiefbescheiden die betrekking hebben op vergunningen als bedoeld in het tweede lid over aan:
a. in gevallen als bedoeld in onderdeel a van dat lid: het bevoegde gezag, bedoeld in dat onderdeel;
b. in gevallen als bedoeld in onderdeel b van dat lid: burgemeester en wethouders.
4. Het derde lid geldt niet voor bescheiden die overeenkomstig de
Archiefwet 1995zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.