BWBR0026710
Geldig vanaf 2009-11-25
Artikel 2.29
Invoeringswet Waterwet
1. Het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwetblijft van toepassing ten aanzien van de voorbereiding en vaststelling van een besluit op een voor die inwerkingtreding gedane aanvraag om een vergunning, ontheffing of concessie als bedoeld in:
a. artikel 14 van de Grondwaterwet,
b. artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
c. artikel 1 van de wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen,
d. artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
e. artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater,
f. artikel 24 van de Wet op de waterhuishouding, of
g. een verordening van een waterschap als bedoeld in artikel 6.13 van de Waterwet, alsmede op de beslissing op een bezwaar of beroep, ingediend onderscheidenlijk ingesteld tegen een zodanig besluit.
2. Een vergunning, ontheffing of concessie die overeenkomstig het eerste lid wordt verleend wordt, zodra deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een door het betrokken bestuursorgaan verleende watervergunning voor de desbetreffende handeling, voor zover na de inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwetnog steeds een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.
a. artikel 14 van de Grondwaterwet,
b. artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
c. artikel 1 van de wet van 14 juli 1904 (Stb. 147), houdende bepalingen omtrent het ondernemen van droogmakerijen en indijkingen,
d. artikel 1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
e. artikel 3 van de Wet verontreiniging zeewater,
f. artikel 24 van de Wet op de waterhuishouding, of
g. een verordening van een waterschap als bedoeld in artikel 6.13 van de Waterwet, alsmede op de beslissing op een bezwaar of beroep, ingediend onderscheidenlijk ingesteld tegen een zodanig besluit.
2. Een vergunning, ontheffing of concessie die overeenkomstig het eerste lid wordt verleend wordt, zodra deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een door het betrokken bestuursorgaan verleende watervergunning voor de desbetreffende handeling, voor zover na de inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de Waterwetnog steeds een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist.