BWBR0026545
Geldig vanaf 2009-10-27
Artikel 21
Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 2,6 GHz
1. De rondeprijzen in de eerste primaire biedronde zijn:
a. € 50.000 voor vergunning A;
b. € 100.000 voor een vergunning B;
c. € 50.000 voor een vergunning C.
2. In de tweede en volgende primaire biedronden verhoogt de minister de rondeprijzen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het derde tot en met zevende lid.
3. De rondeprijs van vergunning A wordt verhoogd indien de vraag in de direct daaraan voorafgaande biedronde groter is dan één.
4. De rondeprijs van vergunningen B wordt verhoogd indien met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, in de direct daaraan voorafgaande biedronde:
a. de vraag naar deze vergunning groter is dan dertien, of
b. niet kan worden voldaan aan de gezamenlijke vraag naar vergunningen B en C.
5. De rondeprijs van vergunningen C wordt in een biedronde verhoogd indien met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, in de direct daaraan voorafgaande biedronde de vraag naar de vergunningen C groter is dan tien, en:
a. niet kan worden voldaan aan de gezamenlijke vraag naar vergunningen B en C, of
b. niet kan worden voldaan aan de vraag naar vergunningen C.
6. De rondeprijzen, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid, worden verhoogd in eenheden van € 1.000.
7. De minister verhoogt, in de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde gevallen, de rondeprijs van een vergunning zodanig dat:
a. de verhoging van de rondeprijs van een vergunning in een biedronde ten hoogste 100% is ten opzichte van de rondeprijs voor die vergunning in de daaraan voorafgaande ronde, en
b. de rondeprijzen van de vergunningen B en C zich tot elkaar verhouden als 2:1.
8. Indien dit naar het oordeel van de minister nodig is voor een evenwichtige vraagontwikkeling of een efficiënt verloop van de veiling kan hij afwijken van het zevende lid.
a. € 50.000 voor vergunning A;
b. € 100.000 voor een vergunning B;
c. € 50.000 voor een vergunning C.
2. In de tweede en volgende primaire biedronden verhoogt de minister de rondeprijzen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het derde tot en met zevende lid.
3. De rondeprijs van vergunning A wordt verhoogd indien de vraag in de direct daaraan voorafgaande biedronde groter is dan één.
4. De rondeprijs van vergunningen B wordt verhoogd indien met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, in de direct daaraan voorafgaande biedronde:
a. de vraag naar deze vergunning groter is dan dertien, of
b. niet kan worden voldaan aan de gezamenlijke vraag naar vergunningen B en C.
5. De rondeprijs van vergunningen C wordt in een biedronde verhoogd indien met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, in de direct daaraan voorafgaande biedronde de vraag naar de vergunningen C groter is dan tien, en:
a. niet kan worden voldaan aan de gezamenlijke vraag naar vergunningen B en C, of
b. niet kan worden voldaan aan de vraag naar vergunningen C.
6. De rondeprijzen, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid, worden verhoogd in eenheden van € 1.000.
7. De minister verhoogt, in de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde gevallen, de rondeprijs van een vergunning zodanig dat:
a. de verhoging van de rondeprijs van een vergunning in een biedronde ten hoogste 100% is ten opzichte van de rondeprijs voor die vergunning in de daaraan voorafgaande ronde, en
b. de rondeprijzen van de vergunningen B en C zich tot elkaar verhouden als 2:1.
8. Indien dit naar het oordeel van de minister nodig is voor een evenwichtige vraagontwikkeling of een efficiënt verloop van de veiling kan hij afwijken van het zevende lid.