BWBR0026545
Geldig vanaf 2009-10-27
Artikel 2
Regeling aanvraag- en veilingprocedure vergunningen 2,6 GHz
1. Ingevolge het besluit van de minister van [datum] (Stcrt. 2009, [nummer]) worden ten behoeve van het gebruik van frequentieruimte voor terrestrische elektronische communicatie de volgende vergunningen door middel van een veiling verdeeld:
a. vergunning A: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2010 en 2019,7 MHz;
b. vergunning B: vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte van twee keer 5 MHz in de onder- en bovenband waarbij tussen de beide frequentieruimten van 5 MHz steeds een afstand is van 120 MHz;
c. vergunning C: vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van 5 MHz binnen het frequentiebereik van 2500–2685 MHz;
d. vergunning D: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2615–2620 MHz waaraan beperkingen worden opgelegd ter voorkoming van interferentie tussen een vergunning B en een vergunning C;
e. vergunning E: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2685–2690 MHz waaraan beperkingen worden opgelegd ter voorkoming van interferentie met de frequentieruimte tussen 2690–2700 MHz.
2. Indien er vergunningen C worden verleend aan een aanvrager, worden aan hem ten minste twee vergunningen C verleend, waarbij ter voorkoming van interferentie beperkingen opgelegd worden aan het gebruik van de laagst gelegen frequentieruimte van 5 MHz waarvoor die aanvrager een vergunning C verkrijgt.
3. Voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2615–2620 MHz wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, uitsluitend een vergunning D verleend, indien voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2620–2625 MHz een vergunning B wordt verleend, met dien verstande dat vergunning D in dat geval verleend wordt aan de aanvrager die voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2610–2615 MHz een vergunning C verkrijgt.
4. De vergunningen B en C worden zodanig verleend dat, met inachtneming van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid:
a. de vergunningen B in de onderband van alle aanvragers samen aaneengesloten zijn en beginnen bij 2500 MHz;
b. de vergunningen B in de onderband per aanvrager aaneengesloten zijn;
c. de vergunningen C per aanvrager steeds betrekking hebben op aaneengesloten frequentieruimte, en
d. een vergunning C: 1°. uitsluitend betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband voor zover, na inachtneming van het gestelde onder a tot en met c, en het derde lid, de frequentieruimte tussen 2565–2620 MHz volledig is benut, en
2°. wanneer die vergunning betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband steeds betrekking heeft op de hoogst gelegen frequentieruimte, met dien verstande dat de vergunningen C tevens evenwichtig verdeeld worden over de onder- en bovenband.
1°. uitsluitend betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband voor zover, na inachtneming van het gestelde onder a tot en met c, en het derde lid, de frequentieruimte tussen 2565–2620 MHz volledig is benut, en
2°. wanneer die vergunning betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband steeds betrekking heeft op de hoogst gelegen frequentieruimte, met dien verstande dat de vergunningen C tevens evenwichtig verdeeld worden over de onder- en bovenband.
5. De vergunning E wordt verleend aan de aanvrager waaraan een vergunning wordt verleend voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2680–2685 MHz.
a. vergunning A: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2010 en 2019,7 MHz;
b. vergunning B: vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte van twee keer 5 MHz in de onder- en bovenband waarbij tussen de beide frequentieruimten van 5 MHz steeds een afstand is van 120 MHz;
c. vergunning C: vergunning voor het gebruik van frequentieruimte van 5 MHz binnen het frequentiebereik van 2500–2685 MHz;
d. vergunning D: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2615–2620 MHz waaraan beperkingen worden opgelegd ter voorkoming van interferentie tussen een vergunning B en een vergunning C;
e. vergunning E: vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2685–2690 MHz waaraan beperkingen worden opgelegd ter voorkoming van interferentie met de frequentieruimte tussen 2690–2700 MHz.
2. Indien er vergunningen C worden verleend aan een aanvrager, worden aan hem ten minste twee vergunningen C verleend, waarbij ter voorkoming van interferentie beperkingen opgelegd worden aan het gebruik van de laagst gelegen frequentieruimte van 5 MHz waarvoor die aanvrager een vergunning C verkrijgt.
3. Voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2615–2620 MHz wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, uitsluitend een vergunning D verleend, indien voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2620–2625 MHz een vergunning B wordt verleend, met dien verstande dat vergunning D in dat geval verleend wordt aan de aanvrager die voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2610–2615 MHz een vergunning C verkrijgt.
4. De vergunningen B en C worden zodanig verleend dat, met inachtneming van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid:
a. de vergunningen B in de onderband van alle aanvragers samen aaneengesloten zijn en beginnen bij 2500 MHz;
b. de vergunningen B in de onderband per aanvrager aaneengesloten zijn;
c. de vergunningen C per aanvrager steeds betrekking hebben op aaneengesloten frequentieruimte, en
d. een vergunning C: 1°. uitsluitend betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband voor zover, na inachtneming van het gestelde onder a tot en met c, en het derde lid, de frequentieruimte tussen 2565–2620 MHz volledig is benut, en
2°. wanneer die vergunning betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband steeds betrekking heeft op de hoogst gelegen frequentieruimte, met dien verstande dat de vergunningen C tevens evenwichtig verdeeld worden over de onder- en bovenband.
1°. uitsluitend betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband voor zover, na inachtneming van het gestelde onder a tot en met c, en het derde lid, de frequentieruimte tussen 2565–2620 MHz volledig is benut, en
2°. wanneer die vergunning betrekking heeft op de frequentieruimte in de boven- en onderband steeds betrekking heeft op de hoogst gelegen frequentieruimte, met dien verstande dat de vergunningen C tevens evenwichtig verdeeld worden over de onder- en bovenband.
5. De vergunning E wordt verleend aan de aanvrager waaraan een vergunning wordt verleend voor het gebruik van de frequentieruimte tussen 2680–2685 MHz.