BWBR0026340
Geldig vanaf 01-09-2009
Artikel 3
Beleidsregel inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2009
1. Als een verzekeringnemer meerdere bronnen van inkomen heeft, zal het college uitsluitend de inhoudingsplichtige van wie de verzekeringnemer het hoogste inkomen ontvangt opdracht geven tot inhouding, mits dat inkomen toereikend is voor het voldoen van de maandelijkse bestuursrechtelijke premie.
2. Het college geeft de inhoudingsplichtige zo spoedig mogelijk na de melding door de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 18c, eerste lid, Zorgverzekeringswet, opdracht tot maandelijkse inhouding en afdracht van de bestuursrechtelijke premie ten laste van het inkomen van de verzekeringnemer. De inhoudingsplichtige draagt de maandelijkse inhouding binnen zes weken na de eerste dag van de maand waarop de bestuursrechtelijke premie betrekking heeft, af aan het college.
3. Het college zal uitzendorganisaties en daarmee vergelijkbare organisaties slechts aanschrijven als inhoudingsplichtige voor zover het gaat om werknemers die in een dienstverband staan met die organisaties, waaruit zij een maandelijks inkomen betrekken.
4. Het college zal geen opdracht tot inhouding geven op:
a. overlijdensuitkeringen;
b. de uitkering die het UWV krachtens de Ziektewet uitkeert, tenzij het om ziekengeld gaat dat in aansluiting op de WW-uitkering wordt uitgekeerd;
c. uitkeringen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.
5. Het college geeft de inhoudingsplichtige opdracht tot inhouding van 100% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie indien het inkomen van de verzekeringnemer voorvloeit uit een van de uitkeringen bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, Regeling zorgverzekering.
6. Indien de inhoudingsplichtige aan het college een verifieerbaar signaal geeft waaruit blijkt dat de verzekeringnemer geen inkomen meer van hem ontvangt, zal het college de inhoudingsplichtige zo spoedig mogelijk meedelen dat hij de opdracht tot inhouding van de bestuursrechtelijke premie intrekt. Het college zal gelijktijdig de verzekeringnemer over de intrekking informeren en daarbij meedelen op welke andere wijze de invordering van de bestuursrechtelijke premie wordt voortgezet.
7. Indien de inhoudingsplichtige het salaris of de uitkering per week uitbetaalt geeft het college opdracht tot inhouding van 130% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie omgerekend naar een bedrag dat per week kan worden ingehouden. De berekening van de weekpremie geschiedt door de standaardpremie te vermenigvuldigen met 130% en te delen door 21,75. Het resultaat is een dagpremie die wordt vermenigvuldigd met 5. De uitkomst is het per week in te houden bedrag en wordt afgerond op hele centen naar beneden.
8. Indien de inhoudingsplichtige het salaris of de uitkering per vier weken uitbetaalt geeft het college opdracht tot inhouding van 130% van de standaardpremie omgerekend naar een bedrag dat per vier weken kan worden ingehouden. De berekening van de vierwekelijkse premie geschiedt door de standaardpremie te vermenigvuldigen met 130% en te delen door 21,75. Het resultaat is de dagpremie en wordt vermenigvuldigd met 20. De uitkomst is het per vier weken in te houden bedrag en wordt afgerond op hele centen naar beneden.
2. Het college geeft de inhoudingsplichtige zo spoedig mogelijk na de melding door de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 18c, eerste lid, Zorgverzekeringswet, opdracht tot maandelijkse inhouding en afdracht van de bestuursrechtelijke premie ten laste van het inkomen van de verzekeringnemer. De inhoudingsplichtige draagt de maandelijkse inhouding binnen zes weken na de eerste dag van de maand waarop de bestuursrechtelijke premie betrekking heeft, af aan het college.
3. Het college zal uitzendorganisaties en daarmee vergelijkbare organisaties slechts aanschrijven als inhoudingsplichtige voor zover het gaat om werknemers die in een dienstverband staan met die organisaties, waaruit zij een maandelijks inkomen betrekken.
4. Het college zal geen opdracht tot inhouding geven op:
a. overlijdensuitkeringen;
b. de uitkering die het UWV krachtens de Ziektewet uitkeert, tenzij het om ziekengeld gaat dat in aansluiting op de WW-uitkering wordt uitgekeerd;
c. uitkeringen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.
5. Het college geeft de inhoudingsplichtige opdracht tot inhouding van 100% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie indien het inkomen van de verzekeringnemer voorvloeit uit een van de uitkeringen bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, Regeling zorgverzekering.
6. Indien de inhoudingsplichtige aan het college een verifieerbaar signaal geeft waaruit blijkt dat de verzekeringnemer geen inkomen meer van hem ontvangt, zal het college de inhoudingsplichtige zo spoedig mogelijk meedelen dat hij de opdracht tot inhouding van de bestuursrechtelijke premie intrekt. Het college zal gelijktijdig de verzekeringnemer over de intrekking informeren en daarbij meedelen op welke andere wijze de invordering van de bestuursrechtelijke premie wordt voortgezet.
7. Indien de inhoudingsplichtige het salaris of de uitkering per week uitbetaalt geeft het college opdracht tot inhouding van 130% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie omgerekend naar een bedrag dat per week kan worden ingehouden. De berekening van de weekpremie geschiedt door de standaardpremie te vermenigvuldigen met 130% en te delen door 21,75. Het resultaat is een dagpremie die wordt vermenigvuldigd met 5. De uitkomst is het per week in te houden bedrag en wordt afgerond op hele centen naar beneden.
8. Indien de inhoudingsplichtige het salaris of de uitkering per vier weken uitbetaalt geeft het college opdracht tot inhouding van 130% van de standaardpremie omgerekend naar een bedrag dat per vier weken kan worden ingehouden. De berekening van de vierwekelijkse premie geschiedt door de standaardpremie te vermenigvuldigen met 130% en te delen door 21,75. Het resultaat is de dagpremie en wordt vermenigvuldigd met 20. De uitkomst is het per vier weken in te houden bedrag en wordt afgerond op hele centen naar beneden.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0026340
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl