BWBR0026157
Geldig vanaf 2009-07-24
Artikel 5
Instellingsbesluit Rathenau Instituut
1. Het bestuur stelt ter uitvoering van de taken van het instituut een tweejarig werkprogramma vast. Alvorens tot vaststelling van een werkprogramma over te gaan, voert het bestuur overleg met betrokken instellingen en organisaties, waaronder in ieder geval de KNAW en de WRR, alsmede met de minister.
2. Het bestuur dient het werkprogramma in bij de minister vóór 1 januari van het eerste kalenderjaar van de twee kalenderjaren waarop het werkprogramma betrekking heeft. Het bestuur maakt tegelijk met de indiening bij de minister het werkprogramma openbaar en doet daarvan mededeling in de Staatscourant.
3. De minister voorziet het werkprogramma van een standpunt. De minister doet daarvan en van het werkprogramma afschrift toekomen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
4. Het bestuur stelt jaarlijks een inhoudelijk verslag vast over de werkzaamheden van het afgelopen jaar. In het verslag maakt het bestuur melding van de wijze waarop bij de uitvoering van het werkprogramma rekening is gehouden met het standpunt van de minister en met de eventuele opmerkingen van de beide Kamers van de Staten-Generaal. Het bestuur zendt het verslag toe aan de minister. Het verslag wordt door de minister ter kennisneming naar de beide Kamers van de Staten-Generaal gezonden.
2. Het bestuur dient het werkprogramma in bij de minister vóór 1 januari van het eerste kalenderjaar van de twee kalenderjaren waarop het werkprogramma betrekking heeft. Het bestuur maakt tegelijk met de indiening bij de minister het werkprogramma openbaar en doet daarvan mededeling in de Staatscourant.
3. De minister voorziet het werkprogramma van een standpunt. De minister doet daarvan en van het werkprogramma afschrift toekomen aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
4. Het bestuur stelt jaarlijks een inhoudelijk verslag vast over de werkzaamheden van het afgelopen jaar. In het verslag maakt het bestuur melding van de wijze waarop bij de uitvoering van het werkprogramma rekening is gehouden met het standpunt van de minister en met de eventuele opmerkingen van de beide Kamers van de Staten-Generaal. Het bestuur zendt het verslag toe aan de minister. Het verslag wordt door de minister ter kennisneming naar de beide Kamers van de Staten-Generaal gezonden.