BWBR0025798
Geldig vanaf 2010-09-06
Artikel 5.1b.3
Regeling voertuigen
1. Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:
a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en
b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
2. Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:
[tabel]
3. Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.
4. De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.
5. Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.
6. Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.
7. Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:
a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel
b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.
a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en
b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
2. Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:
[tabel]
3. Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.
4. De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.
5. Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.
6. Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.
7. Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:
a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel
b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.