BWBR0025609
Geldig vanaf 2009-07-14
Artikel 3b
Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten
1. Het is de werkgever toegestaan eenmalig de werktijd van werknemers te verkorten met ten hoogste 50% gedurende een van te voren schriftelijk vastgelegde periode indien:
a. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt dat: 1°. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2°. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
1°. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2°. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
b. de betrokken werknemers instemmen met de verkorting van de werktijd.
2. De artikelen 1, eerste lid, onderdelen b tot en met h, tweede, derde en zesde lid, 2en 3zijn van overeenkomstige toepassing.
a. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt dat: 1°. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2°. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
1°. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, vierde lid;
2°. uit het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3a, derde lid, blijkt dat de bemiddeling niet tot instemming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a heeft geleid dan wel het verslag niet binnen de in artikel 3a, derde lid, genoemde termijn is uitgebracht;
b. de betrokken werknemers instemmen met de verkorting van de werktijd.
2. De artikelen 1, eerste lid, onderdelen b tot en met h, tweede, derde en zesde lid, 2en 3zijn van overeenkomstige toepassing.