BWBR0025609
Geldig vanaf 2009-07-14
Artikel 3
Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten
1. De vergoeding, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, bedraagt:
a. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken van verkorting van de werktijd de dienstbetrekking met een werknemer van wie de werktijd wordt verkort eindigt;
b. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd meer bedraagt dan de omvang waarmee de werktijd mag worden verkort op grond van artikel 1;
c. de helft van het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de totale periode van verkorting van de werktijd indien de werknemer in de periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd geheel of gedeeltelijk werkloos blijft dan wel wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband daarmee recht houdt respectievelijk krijgt op uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
d. het bedrag van de bruto uitkering over de totale periode van verkorting van de werktijd aan alle werknemers van de werkgever van wie de werktijd was verkort, met uitzondering van hetgeen onverschuldigd is betaald, indien aan één of meer werknemers van wie de werktijd was verkort ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid of indien het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet in overeenstemming met de waarheid is;
e. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd gemiddeld minder bedraagt dan 20%;
f. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de eerste periode indien de verkorting van de werktijd in afwijking van de afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, na de eerste periode niet met dertien weken wordt verlengd.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geldt in plaats van een periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd een periode, onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd, overeenkomend met een derde van de totale periode van verkorting van de werktijd, indien dat laatste langer is.
3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, is niet verschuldigd indien de omstandigheid, bedoeld in die onderdelen, het gevolg is van:
a. opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever om een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. opzegging van de dienstbetrekking door de werknemer dan wel ontbinding van de dienstbetrekking op diens verzoek.
4. Onder het bedrag van de bruto uitkering wordt verstaan het bedrag van de bruto uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vermeerderd met de daarover door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft uitbetaald.
5. Indien op grond van artikel 2, vijfde lid, een kortere periode dan 13 weken geldt, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, die periode in plaats van een periode van 13 weken. De eerste zin is eveneens van toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel e, indien het een tweede of volgende verlenging betreft.
a. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken van verkorting van de werktijd de dienstbetrekking met een werknemer van wie de werktijd wordt verkort eindigt;
b. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd meer bedraagt dan de omvang waarmee de werktijd mag worden verkort op grond van artikel 1;
c. de helft van het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de totale periode van verkorting van de werktijd indien de werknemer in de periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd geheel of gedeeltelijk werkloos blijft dan wel wordt uit de dienstbetrekking met de werkgever en in verband daarmee recht houdt respectievelijk krijgt op uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
d. het bedrag van de bruto uitkering over de totale periode van verkorting van de werktijd aan alle werknemers van de werkgever van wie de werktijd was verkort, met uitzondering van hetgeen onverschuldigd is betaald, indien aan één of meer werknemers van wie de werktijd was verkort ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is betaald op grond van de Werkloosheidswet als gevolg van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25 van de Werkloosheidswet, met betrekking tot het voor de werkgever verrichte aantal uren arbeid of indien het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet in overeenstemming met de waarheid is;
e. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de desbetreffende periode van 13 weken indien in een periode van 13 weken de verkorting van de werktijd gemiddeld minder bedraagt dan 20%;
f. het bedrag van de bruto uitkering aan een werknemer over de eerste periode indien de verkorting van de werktijd in afwijking van de afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, na de eerste periode niet met dertien weken wordt verlengd.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, geldt in plaats van een periode van 13 weken onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd een periode, onmiddellijk na afloop van de periode van verkorting van de werktijd, overeenkomend met een derde van de totale periode van verkorting van de werktijd, indien dat laatste langer is.
3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, is niet verschuldigd indien de omstandigheid, bedoeld in die onderdelen, het gevolg is van:
a. opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever om een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. opzegging van de dienstbetrekking door de werknemer dan wel ontbinding van de dienstbetrekking op diens verzoek.
4. Onder het bedrag van de bruto uitkering wordt verstaan het bedrag van de bruto uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vermeerderd met de daarover door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft uitbetaald.
5. Indien op grond van artikel 2, vijfde lid, een kortere periode dan 13 weken geldt, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, die periode in plaats van een periode van 13 weken. De eerste zin is eveneens van toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel e, indien het een tweede of volgende verlenging betreft.