BWBR0025609
Geldig vanaf 2009-07-14
Artikel 2
Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten
1. De periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, bedraagt 13 aaneengesloten kalenderweken en kan aansluitend telkens met een periode van 13 aaneengesloten kalenderweken worden verlengd. In afwijking van de eerste zin bedraagt de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel de periode van verlenging minder dan 13 aaneengesloten kalenderweken indien deze op grond van het vijfde lid eindigt voor ommekomst van die 13 weken. Verlenging is alleen toegestaan, indien daarbij wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d en h. Daarnaast geldt als voorwaarde voor verlenging dat uit een schriftelijk verslag van de werkgever en de desbetreffende vertegenwoordiging van werknemers blijkt dat uitvoering is gegeven aan de over de voorafgaande periode gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c.
2. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan voor zover het werknemers betreft waarvan de verkorting van de werktijd in de voorafgaande periode gemiddeld niet ten minste 20% bedraagt.
3. Het aantal verlengingen bedraagt:
a. ten hoogste vier indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. ten hoogste drie indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. ten hoogste twee indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%.
4. Het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort wordt bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de eerste periode van 13 aaneengesloten kalenderweken kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
5. Indien de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevangen op of na 1 april 2010, eindigt die periode of de verlenging daarvan uiterlijk:
a. op 1 juli 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. op 1 april 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. op 1 januari 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%,
indien die datum eerder is gelegen dan de eindigingsdatum op grond van het eerste tot en met vierde lid.
2. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, is niet toegestaan voor zover het werknemers betreft waarvan de verkorting van de werktijd in de voorafgaande periode gemiddeld niet ten minste 20% bedraagt.
3. Het aantal verlengingen bedraagt:
a. ten hoogste vier indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. ten hoogste drie indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. ten hoogste twee indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%.
4. Het percentage werknemers waarvoor de werktijd kan worden verkort wordt bepaald door het aantal werknemers waarvan de werktijd in de eerste periode van 13 aaneengesloten kalenderweken kan worden verkort, te vergelijken met het totale aantal werknemers van de werkgever op 1 april 2009.
5. Indien de periode van verkorting van de werktijd, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevangen op of na 1 april 2010, eindigt die periode of de verlenging daarvan uiterlijk:
a. op 1 juli 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten ten hoogste 30% bedraagt;
b. op 1 april 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 30% doch ten hoogste 60%;
c. op 1 januari 2011 indien het aantal werknemers waarvan de werkgever de werktijd kan verkorten meer bedraagt dan 60%,
indien die datum eerder is gelegen dan de eindigingsdatum op grond van het eerste tot en met vierde lid.