BWBR0025278
Geldig vanaf 2010-11-22
Artikel 6
Besluit rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman
1. De vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de leden van de Raad van State en de staatsraden, de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer en de substituut-ombudsmannen ontvangen een maandelijkse vergoeding voor de kosten van voorzieningen die voor hun eigen rekening komen en door hen mede worden aangewend ten behoeve van de vervulling van hun ambt.
2. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
a. voor de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman € 454,12;
b. voor de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de leden van de Raad van State, de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer en de substituut-ombudsmannen € 377,91.
3. De staatsraden ontvangen voor de kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden en die voor eigen rekening komen een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.
4. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.
5. De in het tweede lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
2. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
a. voor de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman € 454,12;
b. voor de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de leden van de Raad van State, de overige leden in gewone dienst van de Algemene Rekenkamer en de substituut-ombudsmannen € 377,91.
3. De staatsraden ontvangen voor de kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden en die voor eigen rekening komen een zodanig deel van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, als overeenkomt met de vastgestelde omvang van de te vervullen taak.
4. De maandelijkse vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.
5. De in het tweede lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.