BWBR0025254
Geldig vanaf 2009-02-01
Artikel 6.1
Mandaatbesluit BZK 2008
De uitoefening van een mandaat, geschiedt met inachtneming van:
a. algemene en bijzondere aanwijzingen van hiërarchisch hoger geplaatsten ten aanzien van de uitoefening van het mandaat;
b. departementale richtlijnen met betrekking tot paraaf en medeparaaf en het voorleggen en afdoen van stukken;
c. de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overige departementale richtlijnen, in het bijzonder de Comptabiliteitswet 2001, de Wet op de ondernemingsraden, het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, het Besluit taak FEZ, het departementale kader voor externe inhuur, het Organisatiebesluit BZK 2008 en (de richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen.
a. algemene en bijzondere aanwijzingen van hiërarchisch hoger geplaatsten ten aanzien van de uitoefening van het mandaat;
b. departementale richtlijnen met betrekking tot paraaf en medeparaaf en het voorleggen en afdoen van stukken;
c. de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overige departementale richtlijnen, in het bijzonder de Comptabiliteitswet 2001, de Wet op de ondernemingsraden, het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, het Besluit taak FEZ, het departementale kader voor externe inhuur, het Organisatiebesluit BZK 2008 en (de richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen.