BWBR0024501
Geldig vanaf 2011-05-30
Artikel 9
Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten
1. Het bedrag van de subsidie aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling wordt voor het kalenderjaar 2009 berekend door het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar 2005–2006 te verminderen met het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar 2007–2008 en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met € 2.000, met dien verstande dat de subsidie, onverminderd artikel 11, niet hoger kan zijn dan het voorschot, berekend op grond van artikel 10en wordt vastgesteld op nihil indien het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling niet is gedaald ten opzichte van het schooljaar 2005–2006.
2. Het bedrag van de subsidie aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling wordt voor elk van de kalenderjaren 2010 tot en met 2013 berekend door het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar 2005–2006 te verminderen met het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met € 2.500, met dien verstande dat de subsidie, onverminderd artikel 11, niet hoger kan zijn dan het voorschot, berekend op grond van artikel 10en de subsidie altijd ten minste een vijfde van het voor dat kalenderjaar verstrekte voorschot bedraagt.
2. Het bedrag van de subsidie aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling wordt voor elk van de kalenderjaren 2010 tot en met 2013 berekend door het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar 2005–2006 te verminderen met het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor die onderwijsinstelling voor het schooljaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met € 2.500, met dien verstande dat de subsidie, onverminderd artikel 11, niet hoger kan zijn dan het voorschot, berekend op grond van artikel 10en de subsidie altijd ten minste een vijfde van het voor dat kalenderjaar verstrekte voorschot bedraagt.