BWBR0024501
Geldig vanaf 2011-05-30
Artikel 10
Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten
1. Op het bedrag van de subsidie voor het jaar 2009 wordt in de maand oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, een voorschot betaald.
2. Op het bedrag van de subsidie voor de jaren 2010 tot en met 2012 wordt vier vijfde deel van het bedrag als voorschot uitbetaald in de maand oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Een vijfde deel van het bedrag wordt betaald in de maand januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, met uitzondering van het jaar 2010 waarin een vijfde deel van het bedrag betaald wordt in de maand juli van dat kalenderjaar. Op het bedrag van de subsidie voor het jaar 2013 wordt het volledige bedrag als voorschot uitbetaald in de maand oktober van het jaar 2012.
3. Het voorschot, bedoeld in het eerste en het tweede lid, eerste en tweede volzin, wordt berekend door het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de onderwijsinstelling voor het schooljaar 2005-2006 te vermenigvuldigen met het voor het desbetreffende kalenderjaar op grond van het vierde lid vastgestelde percentage. Onverminderd het zesde lid wordt de uitkomst van de berekening in de vorige volzin rekenkundig afgerond en vermenigvuldigd met:
a. voor het jaar 2009 een bedrag van € 2.000;
b. voor de jaren 2010 tot en met 2013 een bedrag van € 2.500.
4. Het percentage, bedoeld in het derde lid, bedraagt:
a. voor het kalenderjaar 2009 15%,
b. voor het kalenderjaar 2010 20%,
c. voor het kalenderjaar 2011 30%,
d. voor het kalenderjaar 2012 40%, en
e. voor het kalenderjaar 2013 40%.
5. Indien de subsidie voor een kalenderjaar, berekend op grond van artikel 9, lager is dan het voor dat kalenderjaar verstrekte voorschot, wordt het verschil in mindering gebracht op het voorschot voor het daaropvolgende kalenderjaar, voorzover daarvan sprake is.
6. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin van het derde lid, voor een onderwijsinstelling groter is dan nihil en lager dan 0,5, wordt de hoogte van het voorschot, in afwijking van het eerste en tweede lid, vastgesteld op:
a. voor het jaar 2009 een bedrag van € 2.000;
b. voor het jaar 2010 tot en met 2013 een bedrag van € 2.500.
2. Op het bedrag van de subsidie voor de jaren 2010 tot en met 2012 wordt vier vijfde deel van het bedrag als voorschot uitbetaald in de maand oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Een vijfde deel van het bedrag wordt betaald in de maand januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, met uitzondering van het jaar 2010 waarin een vijfde deel van het bedrag betaald wordt in de maand juli van dat kalenderjaar. Op het bedrag van de subsidie voor het jaar 2013 wordt het volledige bedrag als voorschot uitbetaald in de maand oktober van het jaar 2012.
3. Het voorschot, bedoeld in het eerste en het tweede lid, eerste en tweede volzin, wordt berekend door het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de onderwijsinstelling voor het schooljaar 2005-2006 te vermenigvuldigen met het voor het desbetreffende kalenderjaar op grond van het vierde lid vastgestelde percentage. Onverminderd het zesde lid wordt de uitkomst van de berekening in de vorige volzin rekenkundig afgerond en vermenigvuldigd met:
a. voor het jaar 2009 een bedrag van € 2.000;
b. voor de jaren 2010 tot en met 2013 een bedrag van € 2.500.
4. Het percentage, bedoeld in het derde lid, bedraagt:
a. voor het kalenderjaar 2009 15%,
b. voor het kalenderjaar 2010 20%,
c. voor het kalenderjaar 2011 30%,
d. voor het kalenderjaar 2012 40%, en
e. voor het kalenderjaar 2013 40%.
5. Indien de subsidie voor een kalenderjaar, berekend op grond van artikel 9, lager is dan het voor dat kalenderjaar verstrekte voorschot, wordt het verschil in mindering gebracht op het voorschot voor het daaropvolgende kalenderjaar, voorzover daarvan sprake is.
6. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in de eerste volzin van het derde lid, voor een onderwijsinstelling groter is dan nihil en lager dan 0,5, wordt de hoogte van het voorschot, in afwijking van het eerste en tweede lid, vastgesteld op:
a. voor het jaar 2009 een bedrag van € 2.000;
b. voor het jaar 2010 tot en met 2013 een bedrag van € 2.500.