BWBR0024246
Geldig vanaf 2008-07-24
Artikel 3
Tijdelijke regeling lerarenbeurs voor scholing
1. Subsidie wordt verleend aan een leraar met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten voor studieverlof aan het bevoegd gezag van de school waar de leraar in dienst is, wordt uitgekeerd.
2. De leraar:
a. is op het moment dat de opleiding start minimaal een jaar in dienst bij een bevoegd gezag van een of meer onderwijsinstellingen die bekostigd wordt dan wel worden door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. is op het moment dat de opleiding start voor minimaal 20% van zijn aanstellingsomvang belast met les(gebonden) taken en pedagogisch en didactisch verantwoordelijk voor het onderwijs – op groepsniveau en/of individueel niveau – aan leerlingen, en;
c. geniet gedurende de subsidieperiode geen tegemoetkoming op grond van afdeling 5.1. van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en geen studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
3. De leraar die in het verleden is gestart met een opleiding kan een aanvraag indien, indien:
– het opleidingen betreft als bedoeld in artikel 10 eerste lid, onderdeel a, b en c;
– door de aanvrager minimaal nog een studiejaar moet worden afgelegd;
– de aanvrager in het studiejaar voorafgaand aan de subsidieperiode 30 ECTS punten heeft behaald.
4. Voor een subsidie inzake studieverlof gelden naast de voorwaarden genoemd in het tweede lid dat:
a. studieverlof alleen wordt verleend voor de opleidingen bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b en c;
b. het bevoegd gezag van de school of instelling waar de leraar in dienst is verklaart het studieverlof te zullen verlenen door middel van het invullen en het medeondertekenen van het aanvraagformulier;
c. uitgangspunt is dat het bevoegd gezag welwillend tegenover het verzoek om verlof staat, tenzij zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan. Indien het bevoegd gezag geen studieverlof kan verlenen, dient zij dit zorgvuldig te motiveren.
2. De leraar:
a. is op het moment dat de opleiding start minimaal een jaar in dienst bij een bevoegd gezag van een of meer onderwijsinstellingen die bekostigd wordt dan wel worden door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. is op het moment dat de opleiding start voor minimaal 20% van zijn aanstellingsomvang belast met les(gebonden) taken en pedagogisch en didactisch verantwoordelijk voor het onderwijs – op groepsniveau en/of individueel niveau – aan leerlingen, en;
c. geniet gedurende de subsidieperiode geen tegemoetkoming op grond van afdeling 5.1. van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en geen studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
3. De leraar die in het verleden is gestart met een opleiding kan een aanvraag indien, indien:
– het opleidingen betreft als bedoeld in artikel 10 eerste lid, onderdeel a, b en c;
– door de aanvrager minimaal nog een studiejaar moet worden afgelegd;
– de aanvrager in het studiejaar voorafgaand aan de subsidieperiode 30 ECTS punten heeft behaald.
4. Voor een subsidie inzake studieverlof gelden naast de voorwaarden genoemd in het tweede lid dat:
a. studieverlof alleen wordt verleend voor de opleidingen bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b en c;
b. het bevoegd gezag van de school of instelling waar de leraar in dienst is verklaart het studieverlof te zullen verlenen door middel van het invullen en het medeondertekenen van het aanvraagformulier;
c. uitgangspunt is dat het bevoegd gezag welwillend tegenover het verzoek om verlof staat, tenzij zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan. Indien het bevoegd gezag geen studieverlof kan verlenen, dient zij dit zorgvuldig te motiveren.