BWBR0024058
Geldig vanaf 2008-07-02
Artikel 6
Tijdelijke regeling stimulering pilot projecten maatschappelijke stage
1. Er is een Beoordelingscommissie die tot taak heeft de Minister gevraagd en ongevraagd te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De commissie krijgt een maximale termijn van drie weken na het sluiten van de termijn, genoemd in artikel 5, tweede lid, om een advies aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te zenden en voornoemde adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering. Hierin worden ten minste de onderlinge mate van scoring van de aanvragen alsmede de criteria, genoemd in artikel 4, in verwerkt.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste drie andere leden. Als de commissie bestaat uit een even aantal personen en de stemmen staken, heeft de voorzitter van de commissie een doorslaggevende stem.
4. De leden van de commissie zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
5. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de commissie voor de duur van de gelding van deze regeling.
6. De commissie stelt in overleg met CPS en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar werkwijze vast.
7. CPS coördineert de werkzaamheden van de commissie en zorgt voor secretariële ondersteuning.
8. De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen per vergadering een vergoeding op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988en de daarop gebaseerde voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geldende bepalingen, waarbij de commissie als algemene commissie in de zin van het Vacatiegeldenbesluit 1988wordt aangemerkt. De vergoeding bedraagt het maximum dat geldt voor een algemene commissie.
2. De commissie krijgt een maximale termijn van drie weken na het sluiten van de termijn, genoemd in artikel 5, tweede lid, om een advies aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te zenden en voornoemde adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering. Hierin worden ten minste de onderlinge mate van scoring van de aanvragen alsmede de criteria, genoemd in artikel 4, in verwerkt.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste drie andere leden. Als de commissie bestaat uit een even aantal personen en de stemmen staken, heeft de voorzitter van de commissie een doorslaggevende stem.
4. De leden van de commissie zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
5. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de commissie voor de duur van de gelding van deze regeling.
6. De commissie stelt in overleg met CPS en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar werkwijze vast.
7. CPS coördineert de werkzaamheden van de commissie en zorgt voor secretariële ondersteuning.
8. De leden van de commissie, voor zover geen ambtenaar, ontvangen per vergadering een vergoeding op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988en de daarop gebaseerde voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geldende bepalingen, waarbij de commissie als algemene commissie in de zin van het Vacatiegeldenbesluit 1988wordt aangemerkt. De vergoeding bedraagt het maximum dat geldt voor een algemene commissie.