BWBR0024058
Geldig vanaf 2008-07-02
Artikel 4
Tijdelijke regeling stimulering pilot projecten maatschappelijke stage
1. Bij een aanvraag voor een subsidie in het kader van de pilot projecten maatschappelijke stage dient de penvoerder van het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage voor het gehele desbetreffende samenwerkingsverband een activiteitenplan en een begroting in.
2. De te ontvangen subsidie per samenwerkingsverband wordt berekend aan de hand van het aantal stageleerlingen van de deelnemende scholen binnen dat samenwerkingsverband in het schooljaar 2008–2009.
3. Het aantal deelnemende stageleerlingen per pilot project maatschappelijke stage is een aantal dat gelijk staat aan of groter is dan het aantal leerlingen dat jaarlijks binnen het pilotprojectgebied in het voortgezet onderwijs instroomt.
4. Het aantal uren maatschappelijke stage dat is vereist in het schooljaar 2008–2009, is gelijk aan of meer dan 30 klokuren per stageleerling.
5. De Minister houdt bij de behandeling van de aanvragen rekening met geografische spreiding, combinatie in schoolsoorten, de maatschappelijke breedte in de aangeboden stageplaatsen en de wijze waarop bemiddeling en begeleiding vorm krijgen binnen een pilot project maatschappelijke stage.
6. Het in het eerste lid genoemde activiteitenplan en begroting vormen een integraal deel van de aanvraag.
7. In het eerste lid genoemde activiteitenplan is, in ieder geval, de volgende informatie opgenomen:
a. Een overzicht van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen;
b. naam en adresgegevens van de penvoerder en het aanspreekpunt van het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
c. de namen van de scholen en organisaties die deelnemen aan het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
d. ambitie, doelstellingen en prestaties van het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
e. omvang van het pilot project maatschappelijke stage (aantal stageleerlingen, aantal scholen, aantal stageplaatsen en aantal stagebieders);
f. de eventuele inzet van aanvullende middelen (wanneer, hoe en door welke partijen);
g. een gedegen financieel plan waarin, in ieder geval, de begrote kosten per leerling en de kosten voor de scholen, stagebieder(s) en bemiddelaar(s) worden weergegeven.
8. De eveneens in het eerste lid genoemde begroting behelst een overzicht van de voor het schooljaar 2008–2009 geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
2. De te ontvangen subsidie per samenwerkingsverband wordt berekend aan de hand van het aantal stageleerlingen van de deelnemende scholen binnen dat samenwerkingsverband in het schooljaar 2008–2009.
3. Het aantal deelnemende stageleerlingen per pilot project maatschappelijke stage is een aantal dat gelijk staat aan of groter is dan het aantal leerlingen dat jaarlijks binnen het pilotprojectgebied in het voortgezet onderwijs instroomt.
4. Het aantal uren maatschappelijke stage dat is vereist in het schooljaar 2008–2009, is gelijk aan of meer dan 30 klokuren per stageleerling.
5. De Minister houdt bij de behandeling van de aanvragen rekening met geografische spreiding, combinatie in schoolsoorten, de maatschappelijke breedte in de aangeboden stageplaatsen en de wijze waarop bemiddeling en begeleiding vorm krijgen binnen een pilot project maatschappelijke stage.
6. Het in het eerste lid genoemde activiteitenplan en begroting vormen een integraal deel van de aanvraag.
7. In het eerste lid genoemde activiteitenplan is, in ieder geval, de volgende informatie opgenomen:
a. Een overzicht van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen;
b. naam en adresgegevens van de penvoerder en het aanspreekpunt van het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
c. de namen van de scholen en organisaties die deelnemen aan het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
d. ambitie, doelstellingen en prestaties van het desbetreffende pilot project maatschappelijke stage;
e. omvang van het pilot project maatschappelijke stage (aantal stageleerlingen, aantal scholen, aantal stageplaatsen en aantal stagebieders);
f. de eventuele inzet van aanvullende middelen (wanneer, hoe en door welke partijen);
g. een gedegen financieel plan waarin, in ieder geval, de begrote kosten per leerling en de kosten voor de scholen, stagebieder(s) en bemiddelaar(s) worden weergegeven.
8. De eveneens in het eerste lid genoemde begroting behelst een overzicht van de voor het schooljaar 2008–2009 geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.