BWBR0023064
Geldig vanaf 2010-12-16
Artikel 3.4
Regeling dierlijke bijproducten 2008
1. De aangifteplichtige van categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1draagt er zorg voor dat het materiaal tot het moment waarop het wordt opgehaald:
a. op een zodanige manier wordt bewaard dat het materiaal niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de aangifteplichtige en de ondernemer die het materiaal ophaalt;
b. voor zover het kadavers betreft, het materiaal op een zodanige manier is afgedekt dat het is onttrokken aan het oog voor passanten en niet bereikbaar is voor vogels, knaagdieren, honden en katten en de afdekking door het verwerkingsbedrijf dat het materiaal ophaalt eenvoudig te verwijderen is.
2. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid, ten minste een keer in de twee weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard:
a. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C, voor zover het kadavers van vee als bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1774/2002 tot een gewicht van 25 kilogram;
b. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
c. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.
3. Materiaal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, dat ontstaat op slachterijen, wordt tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald bewaard overeenkomstig de in dat lid opgenomen voorschriften, tenzij het materiaal op dezelfde dag waarop het is ontstaan, wordt opgehaald.
4. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, derde lid, tenminste een keer in de vier weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 5°C.
a. op een zodanige manier wordt bewaard dat het materiaal niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de aangifteplichtige en de ondernemer die het materiaal ophaalt;
b. voor zover het kadavers betreft, het materiaal op een zodanige manier is afgedekt dat het is onttrokken aan het oog voor passanten en niet bereikbaar is voor vogels, knaagdieren, honden en katten en de afdekking door het verwerkingsbedrijf dat het materiaal ophaalt eenvoudig te verwijderen is.
2. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid, ten minste een keer in de twee weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard:
a. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C, voor zover het kadavers van vee als bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1774/2002 tot een gewicht van 25 kilogram;
b. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
c. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.
3. Materiaal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, dat ontstaat op slachterijen, wordt tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald bewaard overeenkomstig de in dat lid opgenomen voorschriften, tenzij het materiaal op dezelfde dag waarop het is ontstaan, wordt opgehaald.
4. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, derde lid, tenminste een keer in de vier weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 5°C.