BWBR0023025
Geldig vanaf 2007-12-29
Artikel 4.17
Waterschapsbesluit
1. De paragraaf betreffende de verbonden partijen, bedoeld in artikel 4.13, tweede lid, onderdeel d, bevat ten minste de:
a. visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen;
b. lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in: 1°. gemeenschappelijke regelingen,
2°. vennootschappen en coöperaties,
3°. stichtingen en verenigingen,
4°. overige verbonden partijen.
1°. gemeenschappelijke regelingen,
2°. vennootschappen en coöperaties,
3°. stichtingen en verenigingen,
4°. overige verbonden partijen.
2. In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie opgenomen:
a. de wijze waarop het waterschap een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt;
b. het belang dat het waterschap in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar;
c. de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;
d. de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar;
e. de eventuele risico’s waarvoor de verbonden partij geen maatregelen heeft getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn voor de financiële positie van de verbonden partij en daardoor van betekenis kunnen zijn voor de financiële positie van het waterschap.
a. visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen;
b. lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in: 1°. gemeenschappelijke regelingen,
2°. vennootschappen en coöperaties,
3°. stichtingen en verenigingen,
4°. overige verbonden partijen.
1°. gemeenschappelijke regelingen,
2°. vennootschappen en coöperaties,
3°. stichtingen en verenigingen,
4°. overige verbonden partijen.
2. In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie opgenomen:
a. de wijze waarop het waterschap een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt;
b. het belang dat het waterschap in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar;
c. de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;
d. de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar;
e. de eventuele risico’s waarvoor de verbonden partij geen maatregelen heeft getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn voor de financiële positie van de verbonden partij en daardoor van betekenis kunnen zijn voor de financiële positie van het waterschap.