BWBR0022841
Geldig vanaf 2023-04-01
Artikel 32
Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis
1. De aanvraag tot verlening van een instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers of verlies- en rouwbegeleiders wordt uiterlijk 1 oktober in het jaar voorafgaande aan het boekjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, ontvangen.
2. Voor de aanvraag tot verlening wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt, welke vergezeld gaat van een met de Staat gesloten overeenkomst waarbij de Staat de instelling belast met en haar verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 29, derde lid.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring als bedoeld in artikel 6 van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352), een zogenoemde de-minimisverklaring, voor het deel van de subsidie dat ingezet wordt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 29, derde lid.
4. Artikel 17, tweede lid, en de artikelen 18en 19zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSis niet van toepassing op een instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers of verlies- en rouwbegeleiders in de netwerkregio’s.
6. Instellingssubsidies tot € 25.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel a, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
7. Instellingssubsidies van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
8. Instellingssubsidies vanaf € 125.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
9. In afwijking van artikel 8.7, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSvormt de ontvanger van een instellingssubsidie van € 125.000 of meer geen egalisatiereserve.
2. Voor de aanvraag tot verlening wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt, welke vergezeld gaat van een met de Staat gesloten overeenkomst waarbij de Staat de instelling belast met en haar verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 29, derde lid.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring als bedoeld in artikel 6 van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352), een zogenoemde de-minimisverklaring, voor het deel van de subsidie dat ingezet wordt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 29, derde lid.
4. Artikel 17, tweede lid, en de artikelen 18en 19zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSis niet van toepassing op een instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers of verlies- en rouwbegeleiders in de netwerkregio’s.
6. Instellingssubsidies tot € 25.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel a, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
7. Instellingssubsidies van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
8. Instellingssubsidies vanaf € 125.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
9. In afwijking van artikel 8.7, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSvormt de ontvanger van een instellingssubsidie van € 125.000 of meer geen egalisatiereserve.