BWBR0021917
Geldig vanaf 2007-06-01
Artikel 3
Regeling mandaatverlening aan de GGD’en met betrekking tot de uitvoering van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen
1. Op aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het besluitwordt door de gemandateerde of door degene aan wie ondermandaat is verleend niet beslist voordat is onderzocht of er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de ondernemer voor de ruimte waarvoor de vergunning wordt gevraagd, niet zal voldoen aan de voorschriften gesteld bij of krachtens het besluit, dan wel aan de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 24 van de Warenwet.
2. Bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt door de gemandateerde of degene aan wie ondermandaat is verleend, beoordeeld of voldaan wordt aan artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit.
3. De gemandateerde of degene aan wie ondermandaat is verleend, zal door de Minister geformuleerde en te formuleren beleidsuitgangspunten in acht nemen.
2. Bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt door de gemandateerde of degene aan wie ondermandaat is verleend, beoordeeld of voldaan wordt aan artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit.
3. De gemandateerde of degene aan wie ondermandaat is verleend, zal door de Minister geformuleerde en te formuleren beleidsuitgangspunten in acht nemen.