BWBR0001969
Geldig vanaf 2025-06-28
Artikel 24
Warenwet
1. Een tatoeage of piercing, anders dan in een oorlel, wordt niet aangebracht bij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en bij het aanbrengen van de tatoeage of piercing wordt vergezeld van zijn wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. gevallen waarbij het tweede lid niet van toepassing is;
b. de wijze waarop personen worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen verbonden aan het aanbrengen van een tatoeage of piercing;
c. het voorhanden zijn en bijhouden van documenten, die de voorlichting over gevolgen, bedoeld in onderdeel b, en het toezicht op de naleving van de regels gesteld bij of krachtens dit artikel, kunnen bevorderen;
d. eisen inzake de deskundigheid van personen die tatoeage- of piercingmateriaal gebruiken.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de naleving van bij of krachtens dit artikel gestelde regels, als voorschrift worden verbonden aan een vergunning, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder 2°, onderdeel b.
5. Het aanprijzen van het aanbrengen van een tatoeage of piercing is verboden, tenzij:
a. het aanprijzen in overeenstemming is met de regels gesteld bij of krachtens deze wet voor het aanbrengen van een tatoeage of piercing; en
b. de natuurlijke persoon of de rechtspersoon ten behoeve van wie het aanprijzen plaatsvindt, beschikt over een geldige vergunning, indien krachtens deze wet voor het gebruik van tatoeage- of piercingmateriaal een vergunning noodzakelijk is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en bij het aanbrengen van de tatoeage of piercing wordt vergezeld van zijn wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. gevallen waarbij het tweede lid niet van toepassing is;
b. de wijze waarop personen worden geïnformeerd over de mogelijke gevolgen verbonden aan het aanbrengen van een tatoeage of piercing;
c. het voorhanden zijn en bijhouden van documenten, die de voorlichting over gevolgen, bedoeld in onderdeel b, en het toezicht op de naleving van de regels gesteld bij of krachtens dit artikel, kunnen bevorderen;
d. eisen inzake de deskundigheid van personen die tatoeage- of piercingmateriaal gebruiken.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de naleving van bij of krachtens dit artikel gestelde regels, als voorschrift worden verbonden aan een vergunning, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder 2°, onderdeel b.
5. Het aanprijzen van het aanbrengen van een tatoeage of piercing is verboden, tenzij:
a. het aanprijzen in overeenstemming is met de regels gesteld bij of krachtens deze wet voor het aanbrengen van een tatoeage of piercing; en
b. de natuurlijke persoon of de rechtspersoon ten behoeve van wie het aanprijzen plaatsvindt, beschikt over een geldige vergunning, indien krachtens deze wet voor het gebruik van tatoeage- of piercingmateriaal een vergunning noodzakelijk is.