BWBR0021912
Geldig vanaf 2007-09-01
Artikel 37
Uitvoeringswet grondkamers
1. Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de Centrale Grondkamer. Bij het beroepschrift wordt een expeditie van de beroepen beschikking gevoegd.
2. Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de wederpartij of belanghebbende, als deze er is, voorts de bezwaren tegen de beschikking, waartegen beroep, en de gevraagde beslissing.
3. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4. Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden overeenkomst als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/318" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 318 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst, worden bij het beroepschrift de daartoe bij de grondkamer ingediende bescheiden mede overgelegd.
5. De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift onverwijld aan elk van de wederpartijen of belanghebbenden, als deze er zijn, toe en voegt daarbij een kennisgeving, die de tijd vermeldt waarbinnen een schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6. Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld, indien de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een van de partijen of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen van paragraaf 2en van paragraaf 3overeenkomstige toepassing.
2. Het beroepschrift bevat een opgave van de naam, de voornamen en de woonplaats van de verzoeker, van de naam en de woonplaats van de wederpartij of belanghebbende, als deze er is, voorts de bezwaren tegen de beschikking, waartegen beroep, en de gevraagde beslissing.
3. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er wederpartijen of belanghebbenden zijn.
4. Indien het beroep betreft een ter goedkeuring ingezonden overeenkomst als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/318" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 318 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of een ontwerp-pachtovereenkomst of een ontwerp-overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst, worden bij het beroepschrift de daartoe bij de grondkamer ingediende bescheiden mede overgelegd.
5. De griffier zendt een afschrift van het beroepschrift onverwijld aan elk van de wederpartijen of belanghebbenden, als deze er zijn, toe en voegt daarbij een kennisgeving, die de tijd vermeldt waarbinnen een schriftelijk antwoord kan worden ingezonden.
6. Het beroepschrift wordt mondeling ter zitting behandeld, indien de Centrale Grondkamer dit nodig oordeelt, dan wel een van de partijen of belanghebbenden dit verzoekt. Overigens vinden de bepalingen van paragraaf 2en van paragraaf 3overeenkomstige toepassing.