BWBR0021912
Geldig vanaf 2007-09-01
Artikel 17
Uitvoeringswet grondkamers
1. Het verzoek tot goedkeuring van een pachtovereenkomst en van een overeenkomst tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst geschiedt door indiening bij de grondkamer van een door partijen ondertekende akte of een notarieel afschrift, met zoveel ongetekende afschriften als er meer dan twee partijen bij de overeenkomst zijn betrokken.
2. Aan het hoofd van de akte worden de namen, voornamen en woonplaatsen van de partijen vermeld, voor zover deze niet in de overeenkomst zijn opgenomen. Het gepachte moet met de kadastrale aanduiding zijn aangeduid.
3. Indien de goedkeuring van de pachtovereenkomst of van de overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt verlangd op grond van <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/324" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 324, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>, wordt tevens de beschikking van de grondkamer, waarbij de ontwerp-overeenkomst werd goedgekeurd, vermeld.
2. Aan het hoofd van de akte worden de namen, voornamen en woonplaatsen van de partijen vermeld, voor zover deze niet in de overeenkomst zijn opgenomen. Het gepachte moet met de kadastrale aanduiding zijn aangeduid.
3. Indien de goedkeuring van de pachtovereenkomst of van de overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst wordt verlangd op grond van <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/324" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 324, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>, wordt tevens de beschikking van de grondkamer, waarbij de ontwerp-overeenkomst werd goedgekeurd, vermeld.