BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 5:3
Regeling LNV-subsidies
1. De Minister kan subsidie verstrekken aan telers van suikerbieten en samenwerkingsverbanden uit regio’s die betrokken zijn bij de herstructurering van de suikersector op grond van Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 58).
2. Voor subsidie komen de volgende activiteiten in aanmerking:
a. het doen van investeringen door suikerbietentelers gericht op diversificatie;
b. het vormen van samenwerkingsverbanden gericht op innovatieve vormen van productie, verwerking en afzet voor suikerbieten;
c. het ontwikkelen van initiatieven gericht op vakmanschap en management.
3. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, leiden tot:
a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor tot een beter technisch en economisch perspectief van en continuïteit binnen landbouwondernemingen;
b. verlaging van de productiekosten;
c. de verbetering en omschakeling van de productie;
d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid of duurzaam gebruik van energiebronnen;
e. herstructurering en ontwikkeling;
f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van producten;
g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;
h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen;
i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van middelen, machines en menskracht, of
j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten.
4. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hebben betrekking op:
a. de verwerking of de afzet van suikerbieten, of
b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën voor suikerbieten.
5. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zien op een bedrijfsconsult of het volgen van opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en hebben betrekking op:
a. de verbetering van de bedrijfsvoering en de verduurzaming daarvan;
b. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan arbeidsomstandighedenregelgeving;
c. het verkrijgen of vergroten van kennis waarmee nieuwe of hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd;
d. begeleiding bij het starten of beëindigen van de onderneming of een onderdeel daarvan.
6. Geen subsidie wordt verstrekt voor:
a. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000;
b. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 250;
c. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).
2. Voor subsidie komen de volgende activiteiten in aanmerking:
a. het doen van investeringen door suikerbietentelers gericht op diversificatie;
b. het vormen van samenwerkingsverbanden gericht op innovatieve vormen van productie, verwerking en afzet voor suikerbieten;
c. het ontwikkelen van initiatieven gericht op vakmanschap en management.
3. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, leiden tot:
a. een hoger niveau van diergezondheid in Nederland en daardoor tot een beter technisch en economisch perspectief van en continuïteit binnen landbouwondernemingen;
b. verlaging van de productiekosten;
c. de verbetering en omschakeling van de productie;
d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid of duurzaam gebruik van energiebronnen;
e. herstructurering en ontwikkeling;
f. verhoging van de kwaliteit en toegevoegde waarde van producten;
g. verbetering van de arbeidsomstandigheden in de onderneming;
h. behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen;
i. verhoging van de doelmatigheid bij inzet en gebruik van middelen, machines en menskracht, of
j. het tot waarde brengen van bij-, rest- en afvalproducten.
4. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hebben betrekking op:
a. de verwerking of de afzet van suikerbieten, of
b. de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés en technologieën voor suikerbieten.
5. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zien op een bedrijfsconsult of het volgen van opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en hebben betrekking op:
a. de verbetering van de bedrijfsvoering en de verduurzaming daarvan;
b. het voldoen aan wettelijke normen inzake milieu of waterbeheer, aan veterinaire, sanitaire of fytosanitaire regelgeving, aan hygiëne- of dierenwelzijnsregelgeving of aan arbeidsomstandighedenregelgeving;
c. het verkrijgen of vergroten van kennis waarmee nieuwe of hoogwaardigere producten kunnen worden verkregen of deze productiewijzen of productieprocessen kunnen worden verbeterd;
d. begeleiding bij het starten of beëindigen van de onderneming of een onderdeel daarvan.
6. Geen subsidie wordt verstrekt voor:
a. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 10.000;
b. de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 250;
c. aan ondernemingen als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).