BWBR0021086
Geldig vanaf 2007-02-01
Artikel 42
Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters
1. Een vloeistofhoogtemeter is zodanig opgesteld, dat de hoogten van alle niveaustanden in het meetreservoir die redelijkerwijs moeten kunnen worden gemeten, kunnen worden aangewezen.
2. Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.
3. Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.
2. Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.
3. Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, wordt, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.