BWBR0020892
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 14d
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
1. De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen baseert het strategisch beleggingsbeleid op de risicohouding en toetst jaarlijks op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels passend zijn bij de vastgestelde risicohouding en past het beleggingsbeleid aan indien dat niet het geval is.
2. Het beleggingsbeleid in de opbouwfase van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde of een variabele uitkering, naar gelang welke uitkeringsvorm in de pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling als standaard is opgenomen. Indien geen standaard uitkeringsvorm is opgenomen wordt het beleggingsbeleid gebaseerd op een vastgestelde uitkering.
3. Zo nodig in afwijking van het tweede lid wordt de uitvoering van het beleggingsbeleid afgestemd op de uitkeringsvorm waarvan is gebleken dat de deelnemer of gewezen deelnemer daarvoor een voorkeur heeft. De uitvoerder vraagt de deelnemer of gewezen deelnemer naar diens voorkeur voor een vastgestelde of variabele uitkering, zodra dit voor de beleggingen relevant is. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer of gewezen deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s.
4. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase vergroot de uitvoerder het beleggingsrisico niet tenzij sprake is van een wijziging van de risicohouding of een gewijzigd risicoprofiel dat aanleiding is voor een wijziging van het beleggingsprofiel.
5. Het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar en indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft.
6. Indien een fonds overgaat tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/150m" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 150m van de Pensioenwet</a>dan wel <a href="/wet/BWBR0018831/artikel/145l" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling</a>is het, in afwijking van het eerste lid en artikel 14b, eerste lid, toegestaan dat het fonds het beleggingsbeleid in de periode van 12 maanden na het moment van deze collectieve waardeoverdracht geleidelijk passend maakt bij de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort, mits het fonds vooraf onderbouwt dat deze tijdelijke afwijking in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en noodzakelijk is om het beleggingsbeleid in overeenstemming te brengen met het strategisch beleggingsbeleid. Deze afwijking duurt niet langer dan noodzakelijk.
7. Bij toepassing van het zesde lid kan een fonds gedurende deze periode de vastgestelde toedelingsregels voor het beschermingsrendement voor het renterisico als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/10a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 10a, vijfde lid, eerste zin, van de Pensioenwet</a>dan wel <a href="/wet/BWBR0018831/artikel/28a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28a, vijfde lid, eerste zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling</a>zodanig aanpassen dat deze niet op voorhand leiden tot herverdelingseffecten. Het fonds onderbouwt dat de wijze waarop het beschermingsrendement voor het renterisico wordt toebedeeld gedurende deze periode in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en niet op voorhand leidt tot herverdelingseffecten.
2. Het beleggingsbeleid in de opbouwfase van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde of een variabele uitkering, naar gelang welke uitkeringsvorm in de pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling als standaard is opgenomen. Indien geen standaard uitkeringsvorm is opgenomen wordt het beleggingsbeleid gebaseerd op een vastgestelde uitkering.
3. Zo nodig in afwijking van het tweede lid wordt de uitvoering van het beleggingsbeleid afgestemd op de uitkeringsvorm waarvan is gebleken dat de deelnemer of gewezen deelnemer daarvoor een voorkeur heeft. De uitvoerder vraagt de deelnemer of gewezen deelnemer naar diens voorkeur voor een vastgestelde of variabele uitkering, zodra dit voor de beleggingen relevant is. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer of gewezen deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s.
4. Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase vergroot de uitvoerder het beleggingsrisico niet tenzij sprake is van een wijziging van de risicohouding of een gewijzigd risicoprofiel dat aanleiding is voor een wijziging van het beleggingsprofiel.
5. Het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar en indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft.
6. Indien een fonds overgaat tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/150m" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 150m van de Pensioenwet</a>dan wel <a href="/wet/BWBR0018831/artikel/145l" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling</a>is het, in afwijking van het eerste lid en artikel 14b, eerste lid, toegestaan dat het fonds het beleggingsbeleid in de periode van 12 maanden na het moment van deze collectieve waardeoverdracht geleidelijk passend maakt bij de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort, mits het fonds vooraf onderbouwt dat deze tijdelijke afwijking in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en noodzakelijk is om het beleggingsbeleid in overeenstemming te brengen met het strategisch beleggingsbeleid. Deze afwijking duurt niet langer dan noodzakelijk.
7. Bij toepassing van het zesde lid kan een fonds gedurende deze periode de vastgestelde toedelingsregels voor het beschermingsrendement voor het renterisico als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020809/artikel/10a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 10a, vijfde lid, eerste zin, van de Pensioenwet</a>dan wel <a href="/wet/BWBR0018831/artikel/28a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28a, vijfde lid, eerste zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling</a>zodanig aanpassen dat deze niet op voorhand leiden tot herverdelingseffecten. Het fonds onderbouwt dat de wijze waarop het beschermingsrendement voor het renterisico wordt toebedeeld gedurende deze periode in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en niet op voorhand leidt tot herverdelingseffecten.