BWBR0019996
Geldig vanaf 2006-07-08
Artikel 10
Subsidieregeling regionale samenwerkingsverbanden en landelijke expertisecentra lerarenopleidingen 2006–2008
1. Een uit drie leden bestaande beoordelingscommissie bereidt de beslissing van de minister voor over:
1°. de verlening van de subsidie; en
2°. de hoogte van de toe te kennen bedragen.
2. De leden van de beoordelingscommissie worden door de minister voor een periode van ten hoogste zes maanden benoemd.
3. De minister benoemt twee leden, niet zijnde de voorzitter, op basis van een voordracht van de VSNU en de HBO-raad.
4. De beoordelingscommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
5. De beoordelingscommissie wordt ondersteund door een of meer door de minister aan te wijzen personen, die geen ambtenaar zijn bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
6. De beoordelingscommissie maakt uiterlijk 15 november 2006 haar oordeel over de subsidieaanvragen voor regionale samenwerkingsverbanden en landelijke expertisecentra bekend aan de minister.
7. De beoordelingscommissie stelt uiterlijk 31 december 2006 een verslag van werkzaamheden op en dient dit verslag in bij de minister.
8. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de beoordelingscommissie worden na beëindiging van de werkzaamheden overgedragen aan het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
1°. de verlening van de subsidie; en
2°. de hoogte van de toe te kennen bedragen.
2. De leden van de beoordelingscommissie worden door de minister voor een periode van ten hoogste zes maanden benoemd.
3. De minister benoemt twee leden, niet zijnde de voorzitter, op basis van een voordracht van de VSNU en de HBO-raad.
4. De beoordelingscommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
5. De beoordelingscommissie wordt ondersteund door een of meer door de minister aan te wijzen personen, die geen ambtenaar zijn bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
6. De beoordelingscommissie maakt uiterlijk 15 november 2006 haar oordeel over de subsidieaanvragen voor regionale samenwerkingsverbanden en landelijke expertisecentra bekend aan de minister.
7. De beoordelingscommissie stelt uiterlijk 31 december 2006 een verslag van werkzaamheden op en dient dit verslag in bij de minister.
8. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de beoordelingscommissie worden na beëindiging van de werkzaamheden overgedragen aan het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.