BWBR0019763
Geldig vanaf 2006-05-06
Artikel 8
Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect
1. Degene die voldoet aan een van de eisen, genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als tuin- en landschapsarchitect in aanmerking, indien zijn of haar opleiding ten minste de verwerving waarborgt van het vermogen om op verschillende schaalniveaus ruimtelijke plannen en concepten te ontwerpen voor de ontwikkeling en inrichting van de buitenruimte, die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen.
2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
a. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de tuin- en landschapsarchitectuur in samenhang met de beeldende kunst en de andere architectonische disciplines;
b. passende kennis van en inzicht in de opbouw en ontwikkeling van de buitenruimte en de abiotische, biotische en antropogene processen die daaraan ten grondslag liggen, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
c. passende kennis van en inzicht in de materiële en immateriële betekenis van de buitenruimte en de effecten van verandering daarin voor de mens en de samenleving;
d. passende kennis van en inzicht in het ontwerp en de uitvoering van beplantingen en de civieltechnische aspecten van de buitenruimte, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
e. vaardigheid om ruimtelijke plannen en concepten in beeld, woord en geschrift voor anderen inzichtelijk te maken;
f. passende kennis van de architectuur en de stedenbouwkunde en hun relatie met de landschapsarchitectuur;
g. passende kennis van en inzicht in natuur-, ruimtelijke ordenings-, landinrichtings- en milieuwetgeving, de bijbehorende processen en de procedures van besluitvorming;
h. passende kennis van en inzicht in het planvormingsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse, doelformulering en programmering, ruimtelijk ontwerp en evaluatie, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
i. inzicht in het beroep van tuin- en landschapsarchitect en de rol van de tuin- en landschapsarchitect in de maatschappij en
j. passende kennis van en inzicht in de technieken om plannen te doen concretiseren.
2. De opleiding dient hiertoe ten minste de verwerving te waarborgen van:
a. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de tuin- en landschapsarchitectuur in samenhang met de beeldende kunst en de andere architectonische disciplines;
b. passende kennis van en inzicht in de opbouw en ontwikkeling van de buitenruimte en de abiotische, biotische en antropogene processen die daaraan ten grondslag liggen, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
c. passende kennis van en inzicht in de materiële en immateriële betekenis van de buitenruimte en de effecten van verandering daarin voor de mens en de samenleving;
d. passende kennis van en inzicht in het ontwerp en de uitvoering van beplantingen en de civieltechnische aspecten van de buitenruimte, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
e. vaardigheid om ruimtelijke plannen en concepten in beeld, woord en geschrift voor anderen inzichtelijk te maken;
f. passende kennis van de architectuur en de stedenbouwkunde en hun relatie met de landschapsarchitectuur;
g. passende kennis van en inzicht in natuur-, ruimtelijke ordenings-, landinrichtings- en milieuwetgeving, de bijbehorende processen en de procedures van besluitvorming;
h. passende kennis van en inzicht in het planvormingsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse, doelformulering en programmering, ruimtelijk ontwerp en evaluatie, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;
i. inzicht in het beroep van tuin- en landschapsarchitect en de rol van de tuin- en landschapsarchitect in de maatschappij en
j. passende kennis van en inzicht in de technieken om plannen te doen concretiseren.